Ook Frankrijk is in de ban van historische sensatie

Dirigent Chistophe Rousset mag met zijn ensemble optreden in de fameuze spiegelzaal van Versailles. Maar de akoestiek in het Concertgebouw, waar hij morgen te horen is, is beter.

Als klavecinist en dirigent Christophe Rousset na zijn concert het paleis in Versailles verlaat, is de zeventiende eeuw even dicht bij. De kleine sierlijke ‘baroqueux’ – de Franse bijnaam van vertolkers van authentiek gespeelde barok – kijkt naar de hemel. Wat hij ziet, moet koning Lodewijk XIV ook ooit gezien hebben. De volle maan hangt als een echo van het paleisgoud achter herfstwolken. „Dat” zegt Rousset, strak jack, hip mutsje op, „dát is mooi”.

En Franse barok ten gehore brengen in de Spiegelzaal, in 77 meter langgerekte geschiedenis, waar oorlogen zijn beëindigd en begonnen, waar de koning als plafondschildering al eeuwen doorregeert, hoe is dat? „Het is natuurlijk een symbolische plaats”, zegt de 49-jarige Fransman. Maar de Spiegelzaal in Versailles is niet het Concertgebouw in Amsterdam, waar Rousset en Les Talens Lyriques morgen zijn. „Hier is de akoestiek goed. In het Concertgebouw is zij wonderbaarlijk.”

Concerten in de Spiegelzaal zijn zeldzaam. Sinds drie jaar eens per jaar. Rousset doorbrak de ban als eerste met Jean-Baptiste Lully, de huiscomponist van de zonnekoning. Deze week, voor zijn tweede concert in de Spiegelzaal, stonden Lalande, Campra en Charpentier op het programma.

Roussets tweede concert bevestigt niet alleen zijn faam maar ook dat hij met Les Talens Lyriques sinds 1991 een van de belangrijkste afstoffers van Franse barok is. De laatste jaren vaker als dirigent dan op klavecimbel.

Zou de koning het hebben goedgekeurd, een feestband die doordringt tot de Spiegelzaal? In het Versailles van Lodewijk XIV werden de Symphonies pour les Soupers du Roi ten gehore gebracht in een vertrek naast de eetzaal van de koning, als achtergrondmuziek. Bezoekers en inwonenden klaagden soms dat er te veel muziek in het paleis van de Zonnekoning was. Daar kregen ze hoofdpijn van, weet Rousset. De geschiedenis zorgde voor meer vergetelheid. Een deel van zijn muziek raakte kwijt.

Het was dus een kleine wederopstanding, de uitvoering van de Symphonies pour les Soupers du Roi waarmee Les Talens Lyriques hun concert begonnen. Ze lieten onder leiding van Rousset delen van de vijfde suite van Lalande horen, die gerestaureerd werd door de muziekarcheologen van het Centre de Musique Baroque de Versailles.

Historisch verantwoord of niet, het blijkt een opgave om met coullissenmuziek de lange smalle Spiegelzaal te veroveren. Les Talens Lyriques, vaak geprezen om de intensiteit van hun spel, blijven helder maar lange tijd vlak. De stem van sopraan Cécile Scheen vindt met enige moeite een weg tussen de kroonluchters door. Pas tegen het einde, als bij Marc-Antoine Charpentiers Médée de frivoliteit verdwijnt, neemt Rousset de Spiegelzaal even in bezit.

Het publiek is onder de indruk van het decor. Al luisterend monsteren de mensen op hun klapstoelen de zaal. In de pauze kijkt een dame peinzend over de paleistuinen. Hadden de fonteinen maar aangestaan, zegt ze. Maar dat zouden we toch horen, mevrouw? Juist daarom, vindt ze, „dat voegt nog iets toe aan de sfeer”.

Het is een trend: Frankrijk wil terug naar Lodewijk, vraagt historische sensatie. Vorige week is de operazaal van het paleis gerenoveerd opgeleverd, inclusief coulissen van tien houten etages, voor de mechanische theaterbediening.

Elders in het paleis is de tijdelijke tentoonstelling de komende maanden nu eens niet avontuurlijk: tot 7 februari gaat zij over Lodewijk XIV. Er zijn (meestal bekende) portretten en tapijten, maar ook een nabootsing van de edelstenen die de koning graag op de vensterbank had. Portretten laten de ‘menselijke’ Lodewijk zien, met zijn hobby’s en ambities.

Christophe Rousset denkt dat de „herwaardering van het nationale erfgoed” een lange golf is, die in Frankrijk op gang kwam toen president De Gaulle in 1959 schrijver André Malraux als minister van Cultuur aanstelde. De Franse barokcomponisten moesten toen nog wachten: op Rameau na waren ze ook in eigen land vergeten.

De authentieken uit het noorden hielpen Rousset dertig jaar geleden op weg. Aan het conservatorium in Den Haag bloeide zijn belangstelling voor de vergeten Franse barok op. „Ieder land heeft een nationale geest in zijn muziek, dat is niet nationalistisch om te zeggen”, vindt hij nu. Debussy is familie van Rameau: „In Franse muziek schuilt een suggestie die je niet vindt in bijvoorbeeld de directere Duitse muziek.”

Hij pleit voor een herwaardering van de Franse barok. „Jean-François Rameau is niet minder dan Bach.” Het enige probleem is dat Franse barok zich minder gemakkelijk laat spelen: zowel technisch als praktisch kost het meer moeite. Graven, restaureren, zoeken naar het eigene, ziet hij als tegenwicht tegen de moderne monocultuur. „Alles is al Amerikaans, we moeten de toegang naar andere muziek openhouden.” Die missie blijft niet binnen de muren van de Spiegelzaal. Les Talens Lyriques repeteerden de afgelopen maanden onder meer op een middelbare school in een immigrantenbuurt in Parijs. „Muziek is een goede manier om onze beschaving te leren kennen.”

    • René Moerland