Nilgün Yerli doseert haar geëngageerde ernst zorgvuldig

Een in Turkije geboren cabaretière en een in Marokko geboren cabaretier gingen in maart 2000 in première met hun debuutprogramma – en ze deden alle twee een Surinamer na. Alle reden voor optimisme, vond ik toen. De rest van Nederland maakte zich ook toen al grote zorgen over de vraag hoe de allochtone bevolking bij de samenleving moest worden betrokken, maar in het cabaret was de integratie dus een feit. Zie je wel, dacht ik: met een beetje geduld gaat dat gewoon vanzelf. Dan staat er ook onder de ‘nieuwe Nederlanders’ verrassend nieuw cabarettalent op. En die brengen dan bovendien nieuw publiek mee dat nog niet eerder een theater bezocht, maar nu wel. Eenvoudigweg omdat het zich in die nieuwelingen kan herkennen.

Bijna een decennium later hebben Nilgün Yerli (de Turkse) en Najib Amhali (de Marokkaan) hun belofte meer dan waargemaakt. Amhali’s succes mag zelfs spectaculair worden genoemd. Volgens een recente enquête van Comedy Central is hij nu de populairste cabaretier van het land. Dezer dagen keert hij, na een sabbatical van ruim een jaar, triomfantelijk terug met een greatest hits-show die tot eind dit jaar tien keer te zien is in het Circustheater in Scheveningen (1.800 zitplaatsen) en tien keer in de Heineken Music Hall in Amsterdam (5.000 zitplaatsen), de grootste zaal die ooit door een Nederlandse cabaretier is bespeeld. Met zijn aanstekelijke assortiment aan grappen maakt Amhali het cabaret tot massa-amusement zonder de knieval van de vrijblijvendheid.

Nilgün Yerli speelt op iets kleinere schaal – en de laatste drie jaar helemaal niet meer, omdat ze toen weer even in Turkije woonde. Maar nu is ze terug met De adem van Eva, een programma over mannen versus vrouwen en Nederland versus Turkije. Het eerste thema illustreert ze met fragmenten uit Het dagboek van Adam en Eva van Mark Twain – amusant, maar op den duur ook wel wat overdadig – en eigen observaties die ze op een luchtige, ironische toon debiteert. En het tweede zet ze kracht bij met monkelende opmerkingen als: „Het is niet prettig om homo te zijn in Turkije, gelukkig bestaan er bijna geen homo’s in Turkije.”

Maar ook met onopgesmukt serieus commentaar. Als ze ter sprake brengt dat cabaret in Nederland alleen maar „gewoon lachen” zou zijn, voegt ze daaraan toe: „Nou nee, dat is niet mijn uitgangspunt.” Ze eist zodoende nadrukkelijk ruimte op voor de ernst. „Wij zijn het vertrouwen in de liefde verloren, dames en heren”, zegt ze bijvoorbeeld. Of: „Eigenlijk is elke moord broedermoord, alleen beseffen we het niet.”

Toch klinkt dat weeër en prekeriger dan het is. Nilgün Yerli maakt haar geëngageerde ernst goeddeels verteerbaar door die uiterst zorgvuldig te doseren. Meestal volgt er net weer op tijd een geestige wending. Maar op haar best is ze als de ernst van haar stellingname samengaat met een superieur soort humor. Bijvoorbeeld als ze smalend over Geert Wilders opmerkt: „Laat hem maar lekker uitrekenen wat ik kost!”

Zo’n grap zou Najib Amhali ook wel willen maken.