Juichkreten na iedere alinea

Koerdisch spreken was in Turkije verboden. Sinds kort mag de taal weer hardop klinken in gezangen, gedichten en op tv. En in proza: vier buitenlandse schrijvers lazen voor uit de eerste Koerdische roman – in het Koerdisch.

Het is al donker als de regiefout van onze gastheren aan het licht komt. Wij – buitenlandse schrijvers die onvermijdelijk tot een delegatie zijn gevoegd – passeren de detectiepoortjes van het stadhuis van Diyarbakir, op weg naar een alcoholloos restaurant. Daarnet heeft de burgemeester ons ontvangen met voor iedereen een roos in een cellofaantje. Wat deed hij zachtmoedig, de burgemeester van de grimmigste stad van Turkije. Hij gaf een pompende hand, maakte knikjes en buiginkjes en liet ons wegzakken in de zachtst denkbare fauteuils.

„Diyarbakir is eigenlijk de stad van de narcis”, sprak de burgemeester, een wijsvinger aan zijn kin. Hij had meer haar op de rug van zijn handen dan op zijn hoofd. „Maar zoals jullie weten is het najaar niet het seizoen van de narcis.” Geen woord over de guerrillaoorlog, die in 2009 25 jaar is geworden. Geen woord ook over de gematigde weg: het stukje bij beetje heroveren van de gewoonste, aan de Koerden ontzegde rechten. Zoals: het zingen van liedjes in het Koerdisch.

Er tuimelde enkel bloemenpraat uit zijn mond.

Toen waren wij aan zet.

„De tulp is toch ook van hier”, had ik gezegd. „Al zien wij in Nederland de tulp graag als een eigen, nationaal symbool.”

Je moet wat.

Diana Ferrus, dichteres uit Kaapstad, had de handschoen opgenomen en begon over de voorbije apartheid. Amandla! Dat raakte een zenuw, wat welkom was zolang ze maar niet zelf de parallel trok met het lot van de Koerden in Turkije: dan zouden we de bloemenburgemeester in het nauw drijven.

Terwijl we langs een benzinestation richting de uit basalt opgetrokken stadsmuren lopen, praten we na over het onzegbare: ANC = PKK, de verboden formule die veel Koerden op de lippen ligt, met zijn even bizarre als brisante gevolgtrekking: Abdullah Öcalan, de guerrillavoorman in zijn Turkse cel, als de Nelson Mandela van de Koerdische zaak.

„Ze vergelijken Öcalans gevangeniseiland in de Zee van Marmara met Robbeneiland...”

Diana kijkt op, toch een beetje geschokt. Kun je íémand met Mandela vergelijken? Toch schrikt ze minder hevig dan de literair agente in Istanbul, een mondaine Turkse die ons twee dagen eerder op een boottocht over de Bosporus had vergezeld: zij sloeg haast achterover, verslikte zich in een dolma, barstte uit in heilige verontwaardiging.

De tolk die ons nu over het stadsplein van Diyarbakir gidst, moet grinniken. Hij is een Koerd uit het vrije Noord-Irak, opgeleid aan de universiteit van Uppsala – zoals dat gaat met oorlogskinderen die via de tombola van de vluchtelingenorganisaties over de aardbol worden uitgestrooid.

„Laat hem het niet horen”, zegt hij, wijzend op de beeltenis van Kemal Atatürk op de zijgevel van een flatgebouw. „Hij zou zich omdraaien in zijn graf.”

Voor de Vader des Vaderlands bestonden Koerden niet. Er zijn Turken en Bergturken, meende hij, en die laatsten hoeven alleen maar hun nomadententen op te doeken en met hun vee van de weiden omlaag te komen. Door Turks te leren en Turks te wórden, versterkten zij de musculatuur van het organisme dat ‘volk’ heet, en droegen zodoende bij aan nation-building.

Onze tolk, sociolinguïst van beroep, grinnikt graag en vaak. Dat deed hij ook toen we eerder op de dag onze voordrachten hielden in de met vlaggen en portretten versierde aula van de universiteit van Diyarbakir.

„Wat was er nou grappig?”

„Je gebruikte de woorden Ararat en Armeniërs”, zegt hij. „En dat in één zin!”

Niemand anders had gelachen. Een van de Turkse hoogleraren op de voorste rij had geroepen: „Die berg heet Aðrý Daðý en ligt in Turkije mijnheer!” Even later pakte hij zijn docententas en beende voor het podium langs de zaal uit.

„Wat jij niet doorhad”, gaat de tolk verder, „was dat er boven je hoofd een spreuk van Atatürk hing: Gelukkig is hij die zich Turk noemt! In het Turks, natuurlijk.”

We hadden nauwelijks een idee in wat voor arena we waren losgelaten. Diana had haar moedertaal, het Afrikaans, opnieuw opgeëist en van blanke smetten ontdaan, ze had het nieuwe Zuid-Afrikaanse volkslied gezongen en gezegd: taal is een deel van wie je bent, als je negatief denkt over je taal, denk je negatief over jezelf.

Dát trilde na tot op de achterste rij.

Lasana Sekou, dichter uit Sint-Maarten, trok aan de uiteinden van zijn artiestensjaal, legde zijn lippen tegen de microfoon als een popster en dichtte over de slavernij, de uitbuiting en de kolonisatie die tot op de dag van vandaag voortduurt (met instemming van de eilandbevolking, maar dat zei hij er niet bij).

‘Tssss!’ – dat Holland nog altijd koloniën bezit! Lasana stak een hand met gespreide vingers in de lucht – hij werd toegejuicht als een vrijheidsstrijder.

Wat een contrast met Abdelhay Moudden, de bedachtzame schrijver uit Marokko, tevens lid van de verzoeningscommissie die de martelingen en andere misdaden in zijn land tegen het licht heeft gehouden. „Ik ben belast met het omvormen van voormalige foltercentra tot herdenkingsplaatsen voor de slachtoffers en nabestaanden...” Een grotere spiegel had hij de aula, vol met naar vrijheid hunkerende Koerdische studenten én een roedel waakhonden van het ‘kemalisme’, niet kunnen voorhouden.

Ik wist hoe ik, als vierde en laatste, de handen op elkaar zou kunnen krijgen. Ik hoefde alleen maar te vertellen hoeveel moeite het mij in 2005 had gekost een militair ‘klimvisum’ voor de Ararat te bemachtigen, om uiteindelijk aan de voet van de berg (pal tegen de gebarricadeerde grens met Armenië) te bemerken dat ik me ook zonder dit stempel bij een (Koerdische) klimexpeditie had kunnen aansluiten. „Mehmet kijkt niet naar Turkse stempels”, had een zekere Mehmet mij verwelkomd. „Welcome to Free Kurdistan.„

In Istanbul, aan de start van onze ‘Winternachten-Turkije’-tour, had ik de uitwerking van Mehmets welkomstgroet kunnen testen op studenten van de Okan-universiteit: ook een aula vol.

Er klonk gevloek en geschreeuw. En: „Schande!”

Na afloop waren een jongen en meisje hand in hand op me afgestapt: Koerden die niet hardop hadden durven roepen hoe trots ze waren op die Mehmet.

Maar ik was niet naar Diyarbakir gekomen om te provoceren. Bovendien: alleen al de eerste blik uit het vliegtuigraampje tijdens het taxiën na de landing leerde je bescheidenheid: her en der zag je de glimmende ogen en vleugels van straaljagers, verscholen in hun bunkers van schokbeton, als sluipwespen in hun cocon.

„Taal kan gevaarlijk zijn”, zei ik tegen de studenten van Diyarbakir, en ik las voor uit mijn boek Ararat:

‘Kets twee zinnen tegen elkaar en er ontstaat vuur. De Ararat is Armeens. De Ararat is Turks’.

Het bleef doodstil. De tolk had vlug met een hand zijn opkrullende mondhoeken in de plooi gestreken.

Nu achteraf zegt hij: „Ik had nog willen roepen: de Ararat is Koerdisch.”

We steken een plantsoentje over met een manshoge palmboom van neonlicht. De lichtgevende palm blijkt het uithangbord van ons restaurant. Onze Koerdische gastheren strekken hun armen als uitklapbare relingen: kom verder en dan de trap op naar boven. Maar de gerant begint druk te gebaren. In plaats van onze jassen aan te nemen, schiet hij langs ons heen. Er is nog andere delegatie in de stad, en díé verwacht hij. Kijk, daar heb je ze al.

„We gaan!” roepen onze gastheren ineens nerveus. Opnieuw strekken zich hun armen horizontaal: die kant uit, naar buiten. „We gaan ergens anders eten.”

In de deuropening passeren we bebaarde kerels, de oudste met een Palestinasjaal als tulband op zijn hoofd, de anderen in wijdvallende broeken met allerlei overlevingszakken erop.

„Weet je wie dat waren?” Onze tolk uit Noord-Irak staat te glunderen onder de lichtboom. „PKK-strijders! De acht die zich vorige maand hebben overgegeven als vredesonderhandelaars.”

Foutje van het stadsbestuur: het is niet de bedoeling om de schrijvers- en de strijdersdelegatie dooreen te roeren tot een explosief mengsel.

We zien ze nog juist de trap opstommelen. Dus dit zijn de acht separatisten (tegenwoordig: ‘terroristen’) die zwaaiend met een olijftak in plaats van hun kalasjnikov vanuit Noord-Irak de grens met Turkije waren overgestoken. Vijf van hen waren onmiddellijk opgepakt, voor verhoor, maar de volgende dag weer vrijgelaten. Op straat in Diyarbakir waren ze onthaald door een uitzinnige menigte die portretten van Abdullah Öcalan meevoerde. ‘Welkom in jullie hoofdstad’, stond er op een spandoek te lezen.

Dit tot wilde ergernis van de premier, die de regie van de Koerdische ‘kwestie’ graag strak in eigen hand houdt. Sinds juli laat hij de teugels vieren, door de twaalf miljoen Koerden ietsje meer culturele adem te gunnen. Maar achter de overgave van de acht stak duidelijk de lange arm van Gevangene Nummer 1. Had hij zijn cipiers niet al in de zomer een ‘routekaart naar de vrede’ overhandigd? En wat was eigenlijk de rol van de Koerdische burgemeester van Diyarbakir?

Wij hadden van dit schaakspel geen benul, wij waren van de afdeling cultuur. Onze delegatie had ‘de brug met de tien ogen’ (bogen) over de paradijselijke Tigris mogen bewonderen en folklorezangers aangehoord (minstrelen die voor het eerst weer in het Koerdisch mochten zingen). Schuin tegenover het plaatselijke Atatürk-museum en een eeuwenoude Seljoek-moskee lag weliswaar een van de meest beruchte, nog maar kort geleden ontmantelde gevangenissen van Turkije, maar die lieten we links liggen. Wij waren niet van Amnesty.

Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag.

Op het programma: ons optreden op een middelbare school, om tien uur. Maar wij hangen als salamanders over de bankstellen van de hotellobby. Er zou geen vervoer zijn.

„De gouverneur”, zegt iemand, „is de Turkse vertaling van jullie teksten aan het bestuderen.’ Kennelijk is de burgemeester even aan de kant geschoven en moeten we wachten op het nihil obstat van een hogere, door Ankara benoemde zetbaas.

Dan ineens, om kwart voor twaalf, is daar ons busje. Onderweg besluit ik die twee ketsende zinnen die vonken kunnen maken, niet uit te spreken. Zelfcensuur, zeker. Maar ik ben er zodadelijk weer vandoor en het schoolhoofd dat ons ontvangen wil, die moet verder.

Bij binnenkomst tussen de bustes en reliëfs van Atatürk is de spanning tastbaar: de leraren vormen een haag, ze hebben zweethanden. Pas als Diana even later staat te zingen en te dichten, glijdt er iets van hun schouders. We maken ons niet schuldig aan opruiing.

Als opmaat naar de finale in het cultuurpaleis van Diyarbakir krijgen we ’s middags Koerdische les. Er is een vliegtuig geland uit Istanbul met meer schrijvers, columnisten en een filmactrice – stuk voor stuk Turkstaligen die bij ons aanschuiven in het klasje. Allemaal leren we drie zinnen uitspreken voor een estafettevoorlezing uit de eerste Koerdische roman – een klassieker uit 1935, oorspronkelijk uitgegeven in de ‘Koerdische Bibliotheek’ van de Sovjet-Unie – die vandaag weer in Turkije mag verschijnen.

De televisie zal erbij zijn: sinds kort is er een kanaal dat in het Koerdisch uitzendt, mits in het Turks ondertiteld. Koerdische radio gaat nog wat ver: voor je het weet fladdert er een term uit (‘Koerdistan’ bijvoorbeeld) die je dan met geen mogelijkheid meer uit de ether kunt halen. Dan is de geest uit de fles.

Abdelhay uit Marokko schrijft zijn Koerdische fragment fonetisch uit – in het Arabisch. Lasana probeert of hij zijn regels ook kan slammen. Ik zet accentjes en klankaanwijzingen in de kantlijn.

Wextê ez pir hindikî mezin bûm...

’s Avonds zindert het in de cultuurzaal. In geen van de coulissen is de haviksblik van Atatürk te bekennen, er zullen wat ‘stillen’ rondlopen maar dat is nooit anders geweest.

...idî fam dikir, min zaf dixwast bibme dûajo yanê jî yançî. (Dit laatste woord uit te spreken als een nies.)

De Turken worstelen evengoed met de uitspraak als wij; het Koerdisch is verwant aan het Perzisch. Hoe meer inspanning het kost om er iets verstaanbaars van te maken, des te luider het applaus. Er klinken juichkreten na iedere volbrachte alinea; het gemoed van de platinablonde PhD-studente uit Istanbul schiet vol, haar mascara loopt in zwarte vegen over haar wangen. „Dat wij hen dit hebben aangedaan!”

Dan is het gebeurd. Het staat op de band: de Koerdische roman in Turkije heeft zijn legale verschijningsvorm terug.

Maar wat heb ik eigenlijk gezegd?

„Dat je er van kinds af aan al naar hebt verlangt een schaapsherder te zijn.” De tolk hikt alweer van het lachen. „En dat je dus liever een nomade blijft, dan dat je van de berg afkomt.”

    • Frank Westerman