Fietskunst

Tot de kenmerkendste symbolen van de Nederlandse cultuur horen Rembrandt, Van Gogh, de klomp en de fiets. Rembrandt heeft zijn plein met standbeeld, Van Gogh zijn museum, de klomp is een veelgevraagd artikel in souvenirswinkels, en de fiets heeft niets. Toch verbazen de buitenlandse bezoekers zich hier over de overvloedige aanwezigheid van dit vervoermiddel. De Tsjechische schrijver Karel Capek (1890-1938) zag de fiets als het mechanisme waarmee de Hollander zijn individualisme het best uitdrukt. Dat heeft hij opgeschreven in zijn reisbrieven die in het boek Over Holland zijn gebundeld. Ook toen had hij al gelijk. Overal was Piet Pelle op zijn Gazelle.

Capek heeft trouwens nog meer gelijk gekregen. De fiets heeft het Nederlandse individualisme verder gestimuleerd. Ons fietsend individu rijdt aan de verkeerde kant van de weg, op de stoep, door rood licht, in het pikdonker zonder verlichting, zwaar beladen, met paraplu op door de regen, als hij jong is alleen op zijn achterwiel.

Als er nog eens een nieuw nationaal wapen moet worden ontworpen, mag de fiets daar niet in ontbreken. Beter een fiets dan een leeuw.

En opmerkelijk: dat het volk na de oorlog in toenemende mate gemotoriseerd is geraakt en nu wordt beheerst door ruzies over rekeningrijden, heeft de fiets geen kwaad gedaan. Zie de zich soepel voortbewegende drommen fietsers in het spitsuur, de ontelbare fietsen in rekken, tegen muren, bomen, lantarenpalen. De oorspronkelijke tweewieler heeft steeds meer varianten gekregen: het soort verlengde bakfiets waarin ouders hun kinderen vervoeren, de ligfiets, de fietsen met een bizar frame. We hebben hier een unieke fietsbouwkunst ontwikkeld. Je kunt je geen Nederlands straatbeeld voorstellen zonder deze rijkdom.

Waar veel van hetzelfde wordt geproduceerd ontstaat onvermijdelijk meer afval van hetzelfde. Zo zijn de fietsklonten gegroeid, opeenhopingen van onbruikbaar geworden, vergeten, gestolen, verlaten fietsen. Een paar mooie klonten vallen bijvoorbeeld te bezichtigen op het Leidseplein, aan de kant van het Hirschgebouw en daartegenover, bij de Stadsschouwburg. En nu las ik in Het Parool, in een stuk van Frenk der Nederlanden, dat een mevrouw, Nel Vos, de strijd tegen deze klonten heeft aangebonden. Ze heeft alle mogelijke autoriteiten aangeschreven. Tot dusver vergeefs.

Misschien is er een oplossing. De moderne kunst heeft ons met veel min of meer abstracte monumenten verrijkt. Denk aan De Wimpel schuin tegenover het einde van de Apollolaan of Het Verschijnsel van Pearl Perlemutter, nu in het parkje van het Emmaplein. Maar bij mijn weten hebben we nog geen monument ter ere van de fiets.

Ik stel me voor dat een paar honderd of desnoods duizend onbeheerde fietsen van de straat worden geraapt en ter beschikking van een kunstenaar gesteld (Atelier Van Lieshout of Damien Hirst bijvoorbeeld) met de opdracht daar een monumentale constructie van te maken. Als je een stuk of wat fietsen zonder kunstzinnige bedoelingen op elkaar gestapeld ziet, heeft dat al iets moois. Zet je er een artiest aan, dan kan het niet mislukken.

Het moet vooral hoog en ingewikkeld worden. En waar zou het moeten staan? Op het Museumplein natuurlijk, waar nu die stadsspreuk staat, I amsterdam. Dan zijn we meteen ook van dat steenkolenengels af.

    • H.J.A. Hofland