Een trouwe batterij gooi je niet zomaar weg

Hiromi Kawakami: De tas van de leraar. Uit het Japans vertaald door Luk Van Haute. Atlas, 192 blz. € 19,90

Het aan de man brengen van vertaalde Japanse literatuur is decennialang een frustrerende aangelegenheid geweest. Uitgevers waagden zich er mondjesmaat aan, met als uitzondering Meulenhoff, dat met Yukio Mishima, Junichiro Tanizaki, Kobo Abe, Kenzaburo Oë en Yasunari Kawabata een topzwaar fonds Japanse meesters samenstelde. Voor het grote publiek stonden de namen ten onrechte synoniem voor ontoegankelijk exotisme. Fijnproeversliteratuur.

Het overdonderende succes van Haruki Murakami heeft daar verandering in gebracht. Er ligt plots een vruchtbare bodem, waardoor een Japanse auteursnaam eerder een voor- dan een nadeel lijkt. Om deze, en andere redenen, zou Hiromi Kawakami’s De tas van de leraar het wel eens verrassend goed kunnen gaan doen.

Het is geen nieuw boek. De tas van de leraar verscheen in 2001 al in Japan en werd bekroond met de prestigieuze Tanizaki-prijs. Het is het verhaal van de met horten en stoten ontluikende liefde tussen Tsukiko, een vrouw van eind dertig, en haar drie decennia oudere voormalige middelbareschooldocent, die ze Sensei (leraar) noemt. Tsukiko omschrijft zichzelf als ‘vol overtuiging besluiteloos’. Als kind was ze naar eigen zeggen vroegrijp, maar met het klimmen van de jaren zakte ze via adolescentie af naar kinderlijkheid. Ze drinkt te veel en leeft alleen. Mensen, en dan vooral mannen, houdt ze – al hunkert ze naar contact – vakkundig op afstand. Voor de liefde is ze naar eigen overtuiging niet gemaakt.

Sensei is evengoed alleen, verlaten als hij is door een echtgenote die ongrijpbaar bleek als een vlinder. Hij is het soort man dat oude batterijen bewaart en keurig noteert welke batterij bij welk apparaat hoort. ‘Batterijen die zo ijverig voor je gewerkt hadden’, schrijft Kawakami, ‘kon je niet zomaar in de vuilnisbak gooien. Ze hadden je tot dan toe licht gegeven, geluid geschonken, een motor laten draaien. Het was meedogenloos ze weg te smijten zodra ze de geest gaven.’ Al is Sensei nog kwiek – zijn rug recht en zijn stem streng –, het lijkt een pleidooi voor de waarde van de aftakelende mens.

Opvallend is de rol die eten en drinken spelen in deze roman. Vrijwel elke ontmoeting gaat gepaard met hapjes en met sake. Nog voor Tsukiko in een café het gezicht opmerkt van haar voormalige leraar, wordt haar aandacht getrokken door de bestelling die hij doet. Tonijn met natto, fijngehakte lotuswortel en gezouten sjalotjes – dezelfde bestelling die zij wil doen. Later zullen ze paddestoelen zoeken en lunchen op een eiland. Eten en drinken helpen mensen over de ‘muren van lucht’ heen die tussen hen in staan.

Kawakami moet het niet hebben van het magisch realisme dat zo welig tiert in de Japanse letteren. Sterker, wanneer ze een hoofdstuk lang in Tsukiko’s droomwereld verdwijnt, voelt dat als een Fremdkörper in een verder afgewogen boek. Het is het enige moment waarop deze roman, die zich langzaam en geduldig ontvouwt, zijn balans dreigt te verliezen.

De kracht zit dus in een ingetogen sfeer die op een prettige manier ouderwets aandoet. Kawakami, zelf van 1958, sluit aan bij de traditie van een oude meester als Nobelprijswinnaar Kawabata, terwijl ook Kokoro (1914) van Natsume Soseki in gedachten komt – een roman waarin het draait om de geheimen van een stugge Sensei. Daarmee staat Kawakami ver af van het rauwe vuurwerk van moderne Japanse auteurs als Ryu Murakami of Hitomi Kanehara, die in hun eerste bloed en sperma nog niet zijn gestikt.

Kawakami daarentegen doet seks kort af in een versluierde bijzin. Het heeft ook weinig te maken met het verhaal dat ze vertellen wil. Dat verhaal gaat over menselijk contact en de louterende kracht van een liefde die tegen alle verwachtingen in bevochten moet worden. Dat maakt De tas van de leraar onvermijdelijk tot een melancholische roman, maar wel één die de lezer een goed gevoel bezorgt. En een knagende honger.

    • Auke Hulst