Diner op de Bibelebontse berg

Wie naar eeuwenoude verhalen voor kinderen zoekt, vindt ze niet, want ze zijn er niet. Daarom staan er veel bekende namen in Abdelkader Benali’s bloemlezing.

Abdelkader Benali (samenst.): De Nederlandse kinderliteratuur in 100 en enige verhalen. Prometheus, 960 blz. € 19,95.

Waar zou het Nederlandse kinderverhaal ooit mee begonnen zijn? Zou er ook voor de jeugd een hebban olla vogala zijn geweest, met een Vlaamse kopiist die heimwee had en in de marge van zijn overschrijfsels maar eens begon met het neerkrabbelen van een begin van een eigen kinderverhaaltje? Waarom niet? Zou er, ten tijde van Reinaert de Vos, niet ook een versie voor de jeugd hebben gecirculeerd, ergens – een soort Fabeltjeskrant avant la lettre? Zou er niet een middeleeuwse voorloper van Thea Beckmanns Kruistocht in spijkerbroek zijn geweest?

Ik hoopte er wel op toen ik las dat Abdelkader Benali enige tijd in de Koninklijke Bibliotheek was opgesloten en zich door een Bibelebontse berg van kinderboeken heen had moeten vreten, op zoek naar de beste Nederlandse kinderverhalen. Hij was eruit gekomen met een baksteendikke bloemlezing, de verhaalpendant van De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten van Gerrit Komrij uit 2007.

Het antwoord op mijn vraag naar hebban olla vogala voor de jeugd was snel gevonden: er zijn helemaal geen kinderverhalen in de Nederlandse literatuurgeschiedenis. In de Middeleeuwen niet, in de Gouden Eeuw niet, in de 18de eeuw niet. Voor de kinderverzen hadden we toen tenminste nog Hieronijmus van Alphen (1746-1803), maar voor de kinderverhalen moeten we wachten tot 1801-1802, als bij uitgeverij Van Vliet het Magazijn van spreekwoorden en zedenspreuken, opgehelderd door voorbeelden en vertellingen tot een leesboek voor de jeugd, verschijnt. Een van de anonieme bijdragen daaruit mag deze geschiedenis van het Nederlandse kinderverhaal openen. Het is een kort en stichtelijk vertellinkje, over de vervelende pestkop Hendrik Vonk. Hij valt voortdurend andere kinderen lastig. Maar op een dag wordt hij zelf het slachtoffer. Hij wordt opgewacht door een groepje jongens die eerst door hem waren gepest.

Oorvijgen

De stijl van deze anonieme kinderverhalenauteur is ouderwets stijf. ‘Ieder hunner had bezwaren tegen hem in te brengen, en elk meende zich thans te moeten wreken.’ En zo geschiedt. Bij thuiskomst hoeft hij niet op veel begrip van zijn ouders te rekenen. ‘Hij verhaalde zijn ongeluk, en kreeg echter nog een paar oorvijgen toe, met de vermaning om in het vervolg andere kinderen ongemoeid te laten.’ Het begin van de kinderverhaalgeschiedenis is al net zo braaf en ouwelijk als het begin van de kindergedichtengeschiedenis (met de versjes van Van Alphen.) Die vroege verhalen gaan over kinderen, en over dieren – en ze zijn van het brave soort. Zouden de jonge lezertjes van nu ze graag lezen? Vader leert zoon Jacob de voorzichtige omgang met schietgeweren: ‘Wanneer nu kinderen spelen met een pistool of snaphaan, dan weten zij gemeenlijk niet of dezelve zijn geladen of niet; en daarom kunnen zij dan anderen, of hunzelf, zeer licht zulk een ongeluk toebrengen.’ Het zijn in ieder geval leerzame zinnen. De schrijver ervan? Willem Emery de Perponcher Sedlintzky Heer van Wolfaartsdijk (1741-1819). Alleen al om die naam had hij de eer moeten krijgen deze bloemlezing te openen.

De eerste bekende naam in De Dikke Benali is die van Theo Thijssen (1879- 1943). Hij is opgenomen met een kort en geestig stukje over het verschijnsel dat kinderen in zijn klas zo graag ‘clubs’ oprichten. Daarna volgt een verhaal van An Rutgers van der Loeff (1910-1990) en van Annie M.G. Schmidt (1911-1995) – en dan zitten we al na WO II. De eerste verrassing van dit boek: vóór 1800 is er niks. De tweede verrassing: tussen 1800 en 1945 is er eigenlijk ook niks. Het grootste deel van de Nederlandse kinderverhalenliteratuur is op dit moment dus nog maar zestig, hooguit vijfenzestig jaar oud. Het hele genre heeft nog nauwelijks geschiedenis. Bijna alles is recent, gemaakt door schrijvers die nog in leven zijn, van Marga Minco (1920) tot en met Bart Moeyaert (1964).

We hebben nu ook al terloops de derde verrassing van dit boek genoemd. Al meteen bij het begin van het genre bevindt zich een hoge top: Annie M.G. Schmidt. Zij is opgenomen met drie verhalen, en alle drie erg goed. Ik heb me weer eens afgevraagd wat nu het geheim van haar werk is, maar ik heb er geen antwoord op, behalve dan dat zij nu eenmaal vlot schrijft, zonder clichés, met snelle dialogen, in natuurlijk Nederlands, alles verbonden door een lichte geest en droge humor.

Maximum

Annie M.G. Schmidt is de enige vrouw die met het maximum van drie of vier verhalen is opgenomen. De mannen zijn: Paul Biegel, Hans Andreus, Gerard Brands, Peter van Gestel, Toon Tellegen, Guus Kuijer, Jacques Vriens en Paul van Loon. Van dit rijtje lijkt mij alleen de naam van Brands (twee non-fictieverhalen en één verzonnen verhaal) verrassend. Ook onder de andere bijdragen zitten niet veel verrassingen. Thea Beckman, Tonke Dragt, Imme Dros, Joke van Leeuwen staan er ook in, net als Miep Diekmann, Mies Bouhuys, Els Pelgrom, Carry Slee en Francine Oomen.

Inhoudelijk zijn er dus ook geen al te grote verrassingen. Alle genres zijn wel vertegenwoordigd. We vinden hier oergezellige kinderverhaaltjes met dieren die kunnen praten en in een huisje in een bos wonen en daar brandt dan een lekker warm kacheltje. Er zijn sowieso veel dierenverhalen. En dan zijn er de historische verhalen, waarin we wegdromen naar een andere tijd. En sprookjesachtige fantasieverhalen. En enge vampierverhalen. Er zijn jaren-zeventig-verhalen, over discriminatie, scheiding en werkeloosheid. Er zijn binnenwereldverhalen, over de binnenwereld van gevoelige kinderen met al hun angst en schaamte en eenzaamheid. Er zijn verhalen over het typisch moderne probleem van een lange zomervakantie in het buitenland, en over het leven op school, en over al het gedoe eromheen met de eerste verliefdheid en de eerste kus. Veel van die verhalen lijken wel afleveringen van een pubersoap: voor de doelgroep vast erg spannend, maar voor anderen nogal inwisselbaar. Vlot geschreven, maar stilistisch en inhoudelijk niet erg interessant.

Benali kan zich aan deze bloemlezing geen buil vallen. Hij zal er dus niet de geschiedenis mee ingaan als de blikverruimende bloemlezer met de frisse visie. Opvallend is wel zijn keuze voor enkele verhalen van schrijvers voor volwassenen (Armando, Campert, Polet, Brusselmans), maar die zijn zeker niet beter dan die van hun jeugdboekencollega’s. En opvallend is ook zijn voorkeur voor de migrantenschrijver; Halil Gür, Marion Bloem en Snezana Bukal. De moeilijkheden van buitenlanders lijken wel op die van kinderen: vervreemding, taalproblemen, het gevoel er niet helemaal bij te horen.

Een oordeel over dit boek valt intussen moeilijk te geven. Daarvoor is het te veel van alles wat, voor te veel verschillende leeftijden. Er zitten kinderlijke voorleesverhaaltjes bij, maar ook zware pubergeschiedenissen. En een schrijnende column van Carmiggelt over een verdronken Turk. Ook las ik een prachtig verhaal van Dolf Verroen, een prachtig sprookje van Paul Biegel, het prachtige visioen ‘Brommer op zee’ van Biesheuvel, en een prachtige fabel van Koolhaas – over het visje Cunegonde dat moet meemaken dat haar collega-vis Archibald er op een dag niet meer is. Het woord ‘dood’ valt nergens en het woord ‘traan’ ook niet – en toch zwemmen wij aan het eind met Cunegonde verdrietig door het lege water. Heel wonderlijk, heel sfeervol, heel bijzonder. Maar zouden kinderen dat ook vinden?

    • Guus Middag