De kuisheid wint

In het Städel in Frankfurt ontbreken een paar belangrijke Botticelli’s. Maar het museum compenseert dat: de expositie is een weergave van Botticelli’s zoektocht naar de perfecte vrouw. Op het pronkstuk komen de drie types samen: kuis, aards en wulps.

s52_53

Sandro Botticelli, schilder uit de vroege Renaissance, is vooral beroemd om zijn vrouwen. Natuurlijk schilderde hij ook wel eens een man, en niet onverdienstelijk (de National Gallery in Londen bezit een fantastisch Portret van een jonge man), maar toch: wie aan Botticelli denkt, denkt aan Venus. Zij is dus ook zo ongeveer de eerste die je ziet als je de grote Botticelli-tentoonstelling in het Städel Museum in Frankfurt betreedt: Venus herself, midden in een deuropening, zij het niet op de grote, beroemde Geboorte waarin zij oprijst uit een schelp (die leent het Uffizi in Florence maar zelden uit) maar een kopie uit Botticelli’s werkplaats. Daarop heeft de eerzame kopiist Venus uit de schelp getild en haar geïsoleerd tegen een diepzwarte achtergrond. Het effect wordt er alleen maar indringender door: wat is deze vrouw naakt! En, nou ja, onbekommerd! Ze doet opvallend veel denken aan het fotomodel Phil Bloom dat eind jaren zestig als symbool van de nieuwe vrijheid naakt door de media paradeerde – Venus kijkt hoogstens wat minder wellustig. Ondertussen is het goed om te bedenken dat toen Botticelli haar schilderde, zo rond 1485, Titiaan en Rafael nog in de wieg lagen, de schilderkunstige traditie in de Lage Landen nog maar nauwelijks was begonnen en Maria en Maria Magdalena zo ongeveer de enige ‘mythische’ vrouwen waren die op reguliere basis schilderwaardig leken. Dat maakt deze godin nog verbazingwekkender: alsof Botticelli op deze doeken niet alleen Venus zelf geboren laat worden, maar ook de wereldsheid in de schilderkunst het algemeen – in ieder geval is de schilderkunst na zijn Venus nooit meer hetzelfde.

Precies dat element, de manier waarop Sandro Botticelli eind vijftiende eeuw een nieuw type vrouw introduceert, maakt een bezoek aan het Städel ook de moeite waard, en niet per se de kwaliteit van de werken. Wie naar Frankfurt reist om een overzicht van Botticelli-klassiekers te krijgen komt zelfs enigszins bedrogen uit, want behalve De Geboorte van Venus ontbreken ook de Primavera (met de dansende nimfen) en Venus en Mars. Maar daar zet het Städel wel wat tegenover: deze expositie is een prachtige zoektocht naar de wijze waarop de schilder drie typen vrouwen schiep, en deze drie vervolgens probeerde te combineren om er een ‘ideale vrouw’ uit samen te stellen. Het uitgangspunt is daarbij vanzelfsprekend de (bekende) kuise Madonna, liefst geflankeerd door een lekker mollige Jezus. Vervolgens is er de femme fatale zoals Venus, maar ook de Bijbelse Judith die net het hoofd van Holofernes heeft afgehakt. Daarnaast is er ook de (rijke) vrouw van alledag die zich door Botticelli laat portretteren, en juist omdat ze werkelijk bestaat, ernaar verlangt in haar afbeelding iets van deze beide typen te belichamen – hoe onmogelijk, bijna paradoxaal dat ook lijkt.

Botticelli’s zoektocht wordt nog interessanter als je beseft dat die tegelijk de worsteling weerspiegelt met idealen van die tijd. Botticelli (ca. 1445-1510) werkte het grootste deel van zijn leven in de toenmalige stadstaat Florence, die werd bestuurd door de bankiersfamilie De Medici – Botticelli en de fameuze Lorenzo (Il Magnifico) scheelden maar enkele jaren. De Medici’s waren rijk, hadden invloed en gebruikten hun macht onder meer om de kunsten te stimuleren – het is altijd weer verbazingwekkend om te zien hoe oneindig de reeks grote architecten en kunstenaars is (van Brunelleschi en Donatello tot Michelangelo) die ooit onder de De Medici’s hebben gewerkt. Door hun rijkdom en macht kwamen De Medici’s echter ook regelmatig in conflict met andere families, die, op de achtergrond gesteund door het papale Rome, probeerden hun positie te breken – zo werd in 1478 Lorenzo’s jongere broer Giuliano vermoord door de rivaliserende familie Pazzi. Die machtstrijd speelde zich niet alleen op politiek en bestuurlijk niveau af, maar ook in de kunsten: de Medici stonden symbool voor de Italiaanse Renaissance die via een blik op de klassieken probeerde nieuwe vormen te vinden en kunstenaars zo de gelegenheid boden zich los te maken van de aloude Madonna-met-kind-traditie. Tegelijk durfden de meeste kunstenaars die traditie ook niet volledig los te laten. Precies die worsteling, het laveren tussen het ‘oude’ christendom en het nieuwe humanisme, zie je mooi verbeeld via Botticelli’s vrouwen in het Städel.

Als je het zo beschrijft, lijkt het bijna of het schilderen van mooie vrouwen voor Botticelli vooral een doelgroepenkwestie was: kuise Madonna’s voor de gelovigen, wulpse nimfen voor de Medici’s. Maar de tentoonstelling in het Städel laat zien dat het wel iets ingewikkelder lag. Dat begint al met een probleem dat je aanvankelijk over het hoofd ziet: rond 1470 was het mode om portretten en profil te schilderen. Het mooiste, en bekendste, voorbeeld daarvan is het duo-portret dat Piero della Fransesca rond 1472 maakte van de graaf en de gravin van Urbino: schitterende koppen, met prachtige, edele lijnen (de vlijmscherpe haakneus van de hertog is bijna even beroemd als die van Cleopatra), maar ook nogal afstandelijk: modellen die en profil worden weergegeven kijken nu eenmaal het kader uit en doen dus of jij, de toeschouwer, niet bestaat. Dat werkt goed op het moment dat een schilder zijn model als verheven of afstandelijk wil neerzetten, maar niet als hij contact tussen model en toeschouwer wil bewerkstelligen – niet voor niets zie je Maria zelden met zo’n scherp profiel. En dus begint Botticelli in de jaren die volgen zijn modellen al snel te draaien naar driekwart. Dat wordt vooral goed zichtbaar bij mannen als Jonge man met medaillon en de Heilige Thomas van Aquino – ‘wereldse vrouwen in driekwart’ ontbreken opvallend genoeg in het Städel.

Vanaf dat moment, als de geportretteerde je zo’n beetje terloops aankijkt, wordt het bijna een sport om te kijken in welke categorie iedere Botticelli-vrouw valt. Daarbij ligt de eerste uitkomst voor de hand: hoe eenvoudiger de categorie is vast te stellen, hoe saaier het schilderij. Dat geldt vooral voor de Maria’s. Het is duidelijk dat Botticelli hen schilderde met een helder doel: de toeschouwer moest worden aangezet tot devotie. Gevolg is wel dat zijn Maria’s in compositorisch opzicht meestal niet erg enerverend zijn, al is het tegelijk wel interessant om te zien hoe Botticelli die devotie probeert te suggereren. Het opvallendste zijn daarbij Maria’s ogen: die zijn bij Botticelli altijd half gesloten, wat het voordeel heeft dat de moeder Gods in extase lijkt, en tegelijk de blik van de toeschouwer mijdt – alles schreeuwt hier verhevenheid, discretie, afstand. En dat zou ook goed werken als zich niet een ander element van Botticelli’s werk zou wreken: zijn nadrukkelijke, precieze, zogenaamde ‘Florentijnse’ belijning. Volgens het cliché laat de Italiaanse Renaissancekunst zich verdelen in twee kampen: het Venetiaanse en het Florentijnse, waarbij de composities in de eerste vooral ontstaan uit kleuren en onnadrukkelijke vormen en in de tweede juist door heldere kaders en afgebakende lijnen. Botticelli geldt als een van de meest extreme representanten van de tweede school: zijn lijnen zijn soms zo scherp dat zijn werk iets stripachtigs krijgt. Maar juist die schijnbare versimpeling werkt bij een eendimensionaal onderwerp als Maria-met-kind nogal tegen hem: als hedendaagse toeschouwer krijg je al snel het gevoel naar simpele, makkelijke emoties te kijken – Botticelli’s Madonna’s neigen onmiskenbaar naar kitsch.

Dat kun je echter niet zeggen van de Venussen en nimfen die het andere einde van zijn vrouwenspectrum vertegenwoordigen. Hier legt Botticelli meer subtiliteit, virtuositeit, zeg maar gerust plezier aan de dag – al zie je dat als hedendaagse toeschouwer soms zomaar over het hoofd omdat zijn compositorische ‘trucs’ sindsdien in onze cultuur diep zijn ingesleten. Heel mooi is bijvoorbeeld de manier waarop Botticelli Venus toch nog een soort van kuisheid en terughoudendheid weet mee te geven: hij laat haar haar naaktste naaktheden bedekken met haar eigen lichaam. Het idee daarvoor ontleende hij ongetwijfeld aan een of meerdere klassieke Romeinse beelden, maar zijn uitwerking daarvan is geweldig: Venus bedekt haar rechterborst met haar rechterhand, haar geslacht camoufleert ze, heel slim, met haar dikke, blonde haar. Maar ook in veel andere opzichten is ze bijna het tegenovergestelde van de Maria’s: Venus’ gezicht en lichaam zijn wulps en mooi op het popperige af, haar ogen staan wijd open, maar ze kijkt net langs ons, de toeschouwers, heen, waardoor je het gevoel krijgt dat je maar een minieme handeling hoeft te verrichten om haar aandacht te trekken. Botticelli’s Venus is zo een grote, slimme balanceeract tussen erotiek en kuisheid, tussen aantrekken en afstoten – als je haar ziet besef je meteen dat er nauwelijks iets is veranderd in de tijd tussen haar en de Shakira’s en Beyoncé’s van deze wereld.

Maar toch: als Botticelli’s Maria’s zijn gemaakt voor de kuise kerkganger die iedere vorm van seks heeft afgezworen en zijn Venussen voor de vijfentwintig-minners bij wie de hormonen door het lichaam gieren, dan zijn zijn spannendste werken die voor de volwassen liefhebber waarin Botticelli probeert die twee schijnbaar onverenigbare verworvenheden te verenigen – en daarbij ook nog put uit de werkelijkheid. Kan het mooier, een vrouw die zowel Venus en Maria is, en die ook nog eens echt bestaat? Precies deze vraag is de kern van deze expositie – en het museum weet heel goed dat ze het antwoord zelf in huis heeft. Natuurlijk, Minerva en de centaur (de meest prestigieuze bruikleen van het Uffizi) is een intrigerend doek, vooral doordat de godin van de wijsheid enerzijds een bijna Maria-achtige kuisheid in haar blik legt, maar Botticelli haar tegelijk hult in een semidoorschijnend gewaad en haar borsten benadrukt door twee takken precies met de rondingen te laten meelopen. Het is een mooi geheel, prikkelend ook, maar kuisheid en erotiek worden er niet verenigd.

Dat gebeurt wel in het onmiskenbare pronkstuk van de tentoonstelling: het Vrouwelijke ideaalbeeld uit de collectie van het Städel zelf – zo onmiskenbaar zelfs, dat je het museum er van verdenkt de hele tentoonstelling te hebben opgezet om de waardering voor deze Botticelli te vergroten. Maar het moet gezegd: dat lukt en zelfs met verve. Dat komt niet alleen doordat op dit doek alle drie de vrouwtypen van Botticelli perfect lijken samen te vloeien, maar ook doordat dit doek al de zoekende, verheven beelden van Botticelli ineens ferme aardse wortels geeft. Het is namelijk goed mogelijk dat dit portret, het mooiste dat Botticelli ooit maakte, is geschilderd naar het model Simonetta Vespucci. Simonetta was als schoonheid een legende; niet alleen gold ze als een van de mooiste Florentijnse vrouwen ooit, was ze mogelijk de minnares van Giuliano, Lorenzo de Medici’s vermoorde broer, en stierf ze al op twee- of drieëntwintigjarige leeftijd aan tuberculose, ze is ook vastgelegd door verschillende schilders onder wie Botticelli en Piero di Cosimo.

Dat begrijp je ook meteen als je het portret ziet: Simonetta heeft een prachtig gevormd gezicht, een lelieblanke huid, weelderig ingevlochten haren, alles is prachtig in proportie – en toch is ze ook levensecht genoeg om te geloven dat Botticelli haar daadwerkelijk voor zich heeft gezien terwijl hij haar schilderde. Sterker nog: als je ‘Simonetta’ in gedachten een kwart slag draait, lijkt daar plotseling dé Venus te staan. En die middelste nimf op de Primavera, is ze dat ook niet? Helaas, hoe je het ook wendt of keert: er is nauwelijks serieus bewijs dat de vrouw op dit doek werkelijk Simonetta was, behalve dan het feit dat Botticelli zoveel liefde, perfectie en aandacht in dit schilderij heeft gestopt. In geen enkel ander doek is hij er zo goed in geslaagd zijn drie vrouwentypen met elkaar te verbinden. En wat het allermooiste is: uiteindelijk wint de kuisheid. ‘Simonetta’, met haar prachtige haar en perfecte trekken kijkt net zover van de toeschouwer weg als ze kan zonder en profil te raken – je ziet nog net een laatste glimp van haar linkeroog. Daarmee is ze net niet ongenaakbaar, er is kans op contact, hoe gering ook. Wie ‘Simonetta’ heeft gezien, begrijpt dan ook veel meer van dat andere doek, die andere vrouw, die twintig jaar later door Leonardo da Vinci zou worden geschilderd. Zij is lang niet zo mooi, maar kijkt de toeschouwer wel direct aan. Ze zoekt contact. En glimlacht.

Botticelli. T/m 28 februari in het Städel Museum, Schaumainkai 63, Frankfurt. Di. en vr. t/m zo. 10-18u, wo. en do. 10-21u. Inlichtingen: www.staedelmuseum.de

    • Hans den Hartog Jager