Dank aan het visioen van de hel

Waar sta je als schrijver die het leed observeert, in een wereld vol weldoeners? Moet je het leed wegschrijven of heb je het juist hard nodig?

**ADVANCE FOR SUNDAY AUG. 17** Surrounded by his collection of African wood carvings, author Paul Theroux speaks during an interview at his home in East Sandwich, Mass. Thursday, July 31, 2008. (AP Photo/Elise Amendola) ASSOCIATED PRESS

Paul Theroux: A Dead Hand: a Crime in Calcutta. Hamish Hamilton, 265 blz. € 17,-. Vertaald door Tineke Funhoff: Een dode hand. Atlas, 256 blz. € 19,90

Paul Theroux is een opdringerige, arrogante man. Dat is kort samengevat de visie van reisschrijver Jerry Delfont, hoofdpersoon in Theroux’ laatste roman A Dead Hand. Een schrijver die zijn personage in een roman ontmoet en vervolgens een verbale catfight voert: het is een bekend trucje. Er zijn wel meer schrijvers die overhoop liggen met hun personages, en meer schrijvers die zichzelf via hun personages laten bespotten. Maar in deze roman is die confrontatie wel degelijk een mooi moment, omdat beiden de positie van de reisschrijver bespreken. ‘Ik vermoedde dat veel van wat hij [Theroux] opschreef verzonnen was, omdat hij zijn schrijversloopbaan was begonnen als romancier. En ik kende de verleiding om citaten te verbeteren of toevallige ontmoetingen en verafgelegen landschappen te dramatiseren, om mensen en plekken exotischer te maken. Maar hij was te expliciet om overtuigend te zijn.’

Deze gedachte van Delfont zegt misschien meer over de man zelf dan over Theroux, in ieder geval zijn het overwegingen van iemand met ‘een dode hand’. Volstrekt inspiratieloos zit hij in het Indiase Calcutta, zich al te zeer bewust dat zijn reisschrijven niet voortkomt uit een pioniersgeest, maar uit vluchtgedrag. Hij en zijn reisgenoot Mrs. Unger klagen flink over de buitenwereld. Over de boeken die over India verschenen: ‘Er bestaat niet één waarheidsgetrouw boek over India. […] Een waarheidsgetrouw boek over India zou ondraaglijk zijn’. Over moeder Teresa: ‘wat ik niet kan negeren is haar afgrijselijke aanstellerij en haar behoefte om opgemerkt te worden’. En over beroemdheden als Liz Taylor, die haar roem niet inzet om het leed van minder bedeelden te verzachten, ‘maar om vooral zichzelf te promoten. Dat gebeurt met actrices die geen filmrol meer kunnen krijgen’.

Commentaar leveren op mensen die Verweggistan gebruiken om hun inspiratieloze geest te vullen met een sentimenteel beeld, of auteurs die het leed beschrijven, maar dan wel vanaf veilige afstand: het zijn houdingen die Theroux ook in zijn vorige boek De poort naar India via uiteenlopende personages ter sprake bracht. Maar deze keer wil hij niet zozeer commentaar leveren op de buitenstaander die meent een andere wereld te doorgronden, maar gaat het hem om de vraag waar je de inspiratie in een andere wereld vindt en vooral: wat je ermee doet? Wat is de positie van de schrijver te midden van leed?

Theroux onderneemt die zoektocht aan de hand van een vrij plat verhaal. Delfont hangt doelloos rond in Calcutta, totdat hij fanmail krijgt van Mrs. Unger. Ze heeft alles van Delfont gelezen, zijn boeken hebben haar visie op de wereld verbreed, en o ja, er is een probleem met een vriend van haar zoon en of hij kan helpen. Omdat Delfont toch niets te doen heeft, gaat hij er zowaar op af. Wat hij aantreft is een Amerikaanse in sari en met henna beschilderde voeten, wonend in een luxe hotel (type vrouw dat bij lokale dansavonden de aandacht trekt door driftig mee te dansen alsof ze alle pasjes onder de knie heeft). Waar een normaal mens voor zo’n parmantige dame zou terugschrikken, raakt Delfont stapelverliefd. Haar verzoek om te achterhalen wat een dood kind in de kamer van de vriend van haar zoon deed, willigt hij in. Als een halfbakken detective onderzoekt hij het voorval in de hoop de jongen te kunnen vrijpleiten. De zoektocht duurt lang, maar levert wel een dode hand van het kind in kwestie op. Intussen neemt Mrs. Unger neemt Delfont mee in een wereld van correct voedsel, tantrische massages die uitlopen op, ‘indrukwekkende seks’ (Theroux werd voor enkele passages terecht genomineerd voor de Bad Sex in Fiction Award). En vooral: ze laat Delfont zien hoe zij al tijden weeskinderen opvangt, zonder daar wereldwijd erkenning voor te zoeken, zoals Moeder Teresa.

Dankzij Mrs. Unger vindt Delfont zijn schrijversinspiratie terug. Zeker nadat ze samen een dorp vol kinderprostitutie hebben bezocht, lukt het hem om weer te schrijven. Het visioen van de hel dat hij daar heeft gezien, biedt genoeg stof om de dode schrijvershand tot leven te wekken. Tot zover de ogenschijnlijk wat langdradige liefdesgeschiedenis met twijfelachtige motieven voor de liefde. Want Mrs. Unger blijkt de kinderen niet te redden, maar te gebruiken in een fabriek waar er zo af en toe eentje omvalt van vermoeidheid; Mrs. Unger is niet de goedheid, maar de hypocrisie in levenden lijve.

Zo lijkt A Dead Hand in menig opzicht op een standaardverhaal over het volle, stoffige India met mooie landschappen waarin de waarheid (die volgens Delfont en Mrs. Unger niet beschreven kon worden), traag wordt ontbloot. Kinderarbeid, kinderprostitutie, corruptie, hypocrisie: het zijn de thematische beelden die tegenwoordig steeds vaker hun opwachting maken in romans over India. Zo ook bij Delfont: wanneer hij bij het Amerikaans consulaat aangeeft waarmee Mrs. Unger bezig is, heeft hij zijn definitieve verhaal – te weten dit boek. En dan opeens vallen alle exotische beschrijvingen van de reizen door India met Mrs. Unger – de massages, het leed, de klaagzangen over uitbuiting – prachtig op hun plek. En kom je als lezer terug bij het dilemma van de reisschrijver: je kan misstanden en hypocrisie in andere landen aan de kaak stellen, maar je hebt ze wel nodig om tot een verhaal te komen, om je eigen schrijverschap te laten floreren. Een wrange conclusie van een knappe en nietsontziende roman.

    • Toef Jaeger