Betrokken

Ik heb een mooie, vriendelijke huisarts. Ik denk dat ze nog niet zo lang huisarts is. Wanneer ik bij haar kom met een kwaal, overweegt ze voor- en nadelen van verschillende behandelmethoden hardop, alsof ze verwacht dat ik zelf een keuze maak. Die verantwoordelijkheid wil ik helemaal niet. Ik wil dat ze me een zak pillen geeft en zegt: „Hier word je beter van.” Toen ze bij mijn laatste bezoek plotseling rechtop stond, en vol overtuiging uitsprak hoe ‘enig’ het is dat de vader van mijn vriend ook huisarts is, kon ik het niet over mijn hart verkrijgen haar te zeggen dat ze zich moest vergissen. Eindelijk was ze een keer zeker van haar zaak. Ze straalde ervan.

Ik wilde zo snel mogelijk de spreekkamer uit. Ik was bang dat als ze iets zou vragen over de vermeende praktijk, ik mezelf zou verraden. „Hoe laat is het eigenlijk?” vroeg ik, om me vervolgens uit de voeten te maken. Ik moet een nieuwe afspraak maken met mijn huisarts om haar uit te leggen dat ze zich heeft vergist. Dat ik overrompeld was door haar enthousiasme, en niet op tijd heb gereageerd. Ik zou kunnen zeggen dat er zomaar een verhaal is ontstaan. Dat we het samen hebben geschreven. Ik voel me een leugenaar. Al heb ik de leugen niet zelf verzonnen, ik heb zwijgend toegelaten dat de werkelijkheid geweld werd aangedaan. Als ik geen actie onderneem, moet ik anderen in de leugen meesleuren. Ik moet mijn vriend vragen om voortaan bij de huisarts te doen alsof zijn vader arts is.

Vanmorgen kwam een journalist van De Groene Amsterdammer met mij praten over engagement en poëzie. Ik wilde graag met iemand die er verstand van heeft van gedachten wisselen over wat een gedicht teweeg kan brengen in de maatschappij, en of een gedicht maatschappelijke of politieke gevolgen kan hebben. Omdat ze tijd had vrijgemaakt om bij mij langs te komen, en omdat ik enthousiast had gereageerd op haar verzoek om een interview, voelde ik me verplicht meningen te hebben over de maatschappelijke rol van poëzie.

Ik oefende voor de spiegel: „Ik geloof in de kracht van poëzie die vastgeroeste ideeën kan loswrikken. Maar een gedicht is ook maar een reeks woorden. Het is geen optocht, geen protestactie, geen manifest. Het biedt een dakloze geen bed.”

Naarmate het moment naderde dat de journalist aan mijn deur zou staan, werd ik steeds nerveuzer. Ik voelde aankomen dat ik de werkelijkheid zou gaan verdraaien, om mijn gesprekspartner een plezier te doen.

Ik probeerde me in te houden toen ze eenmaal tegenover me zat. Wat had ik ook alweer geoefend? Maar ik zag haar mooie, vriendelijke gezicht, vol verwachting. Ze zat klaar met haar pen en papier om mijn uitspraken te noteren.

Daar ging ik. Het was alsof ik voorover viel in een put, waarin ik mijn woorden niet goed kon vinden. Ik raakte verstrikt in termen als ‘betrokkenheid’ en ‘verbintenis’. Is een dichter geëngageerd als hij in een gedicht op een nieuwsbericht reageert? Of is hij per definitie geëngageerd, omdat hij schrijft vanuit zijn betrokkenheid met alles wat hem omringt? Ik somde, net als mijn huisarts, alle mogelijkheden op om met het onderwerp om te gaan, maar had zelf geen enkele voorkeur, of persoonlijke insteek.

De journalist tekende steeds minder op uit mijn mond. Ze keek langs mij heen, in een verte die voor mij verborgen bleef.

„Hoe laat is het eigenlijk?” vroeg ze.

    • Maria Barnas