ANC'ers leerden onderhandelen op voetbalveld

De politieke gevangenen die volgens de FIFA-regels een voetbalcompetitie opzetten keerden een dag voor de WK-loting terug op Robbeneiland. De spelers van toen organiseren het kampioenschap van 2010.

Journalists are seen in front of goal posts on Robben Island, December 3, 2009. The winners of next year's World Cup final in South Africa will collect $30 million in prize money, FIFA said on Thursday after their Executive Committee meeting on Robben Island. REUTERS/Siphiwe Sibeko (SOUTH AFRICA SPORT SOCCER) REUTERS

Het voetbalveld van Robbeneiland ligt er beroerd bij. Het hobbelt, het gras is verdord en de lijnen ontbreken. „Maar het is vooral zo ontzettend groot”, lacht Sedick Isaacs, een schriele wetenschapper die van 1964 tot 1973 als politieke gevangene op het beruchte eiland vastzat. „Toen we het aanlegden schrokken we ons een ongeluk. Dit kon niet kloppen.” Maar het was precies de maat die wereldvoetbalbond FIFA voorschreef. „En FIFA-regels waren heilig.”

Als 23-jarige scheikundestudent sleutelde Isaacs een bom in elkaar, maar nog voordat het explosief tot ontploffing gebracht kon worden, pakte de geheime politie van het apartheidsregime hem op. Als gevangene 883/64 werd hij een van de initiatiefnemers van een voetbalcompetitie die de gevangenen gebruikten als machtsmiddel tegen de gevangenisleiding en die ervoor zorgde dat het moreel onder de politieke strijders hoog bleef. Gisteren was de nu 69-jarige Isaacs, samen met enkele voormalige medevoetballers, als eregast van FIFA terug op het eiland voor de kust van Kaapstad. Daags voor de WK-loting belegde de FIFA op deze beladen grond een vergadering.

„Voetbal is een spel dat door iedereen overal gespeeld moet kunnen worden”, zei voorzitter Blatter eerder deze week toen hij uitlegde waarom scheidsrechters nog niet geholpen worden door videobeelden. „De voetballers op Robbeneiland bewezen dat.”

In 1964, toevallig ook het jaar waarin de wereldvoetbalbond Zuid-Afrika vanwege de apartheid uitsloot van internationale competitie, vonden de gedetineerden in de bescheiden gevangenisbibliotheek een beduimeld boekje met officiële FIFA-competitiereglementen. Ze wisten dat ze in het gevang recht hadden op sportbeoefening en vroegen de leiding van het complex om toestemming. Die werd aanvankelijk geweigerd, maar na lang soebatten en na bezoeken van het Rode Kruis en het progressieve parlementslid Helen Suzman ging de gevangenisleiding in 1967 overstag.

„De gevangenbewaarders dachten dat we het niet aan zouden kunnen, dat we te zwak waren om te voetballen”, zegt Isaacs, wandelend over het veld dat hij veertig jaar terug mede aanlegde. „Dat waren we eigenlijk ook – veel konden er helemaal niets van. Maar voetbal werd zo belangrijk dat we geen moment opgaven.”

De blanke machthebbers wilden de buitenwereld laten zien dat zelfs de meest staatsgevaarlijke gevangenen prima behandeld werden en op zaterdagochtend gewoon een balletje mochten trappen. „Zo werd het voetbal niet alleen voor ons, maar ook voor hen van belang”, zegt Isaacs. „Als wij betere levensomstandigheden wilden, dan weigerden we te spelen totdat we onze zin kregen.” Veel leden van het Afrikaans Nationaal Congres (ANC), de huidige machtspartij in Zuid-Afrika, hebben op Robbeneiland „leren onderhandelen”.

De gevangenen vormden de Makana Football Association, de bond die in 2007 door de FIFA tot erelid werd benoemd en waarin verschillende teams binnen drie aparte divisies tegen elkaar uitkwamen. Bij de opzet van de competitie werd het FIFA-boekje buitengewoon strikt ter hand genomen: er kwam een scheidsrechterscommissie en een medische commissie, en spelers of teams die zich benadeeld voelden konden bij een beroepscommissie een klacht indienen. Uiteindelijk zetten de gevangenen zelfs play-offs en een compleet gereguleerd transfersysteem op, dat binnen de gevangenismuren vanzelfsprekend leidde tot één onverslaanbare club met de beste spelers. Ieder jaar werd door de Makana-bobo’s een ‘Voetballer van het jaar’ verkozen.

Veel van de in de jaren zestig en zeventig voetballende gevangenen zijn nu hooggeplaatste politici in het democratische Zuid-Afrika en betrokken bij de organisatie van het WK van volgend jaar. De Zuid-Afrikaanse president Jacob Zuma was geruime tijd aanvoerder van de ‘Rangers FC’, een team in de B-competitie. Later haalde Zuma in de gevangenis zijn scheidsrechtersdiploma. Alleen leiders van het ANC, zoals Nelson Mandela, mochten van de autoriteiten niet meevoetballen.

Tokyo Sexwale, nu minister van Huisvesting en FIFA-bestuurslid, speelde wel mee. „We lapten alle regels van apartheid aan onze laars”, zei hij gisteren na de vergadering op het eiland, „maar de regels van FIFA werden altijd nageleefd.”

Waarom eigenlijk? Waarom niet gewoon een ontspannen potje voetbal gespeeld?

Isaacs hoeft niet lang na te denken. „We hadden dit soort discipline nodig om bezig te blijven. En terwijl Zuid-Afrika als land geïsoleerd was, hielden wij vast aan de internationale standaarden. Dat voelde goed. Bovendien zetten we in het klein een soort democratie op waarvoor we in het groot in Zuid-Afrika vochten.”

De Amerikaanse sporthistoricus Chuck Korr doorploegde de archieven van Makana FA en publiceerde er vorig jaar het boek Meer dan een spel: Voetbal vs. Apartheid over. Korr beschrijft gedetailleerd het verloop van de competitie en citeert met smaak uit de buitengewoon formele correspondentie tussen spelers, teams en de commissies van de Makana FA.

Zelfs die extreme bureaucratie had een hoger doel, legt Isaacs uit. Veel gevangenen waren analfabeet toen ze op Robbeneiland aankwamen. Beter geschoolden als hij leerden minder onderlegde strijders lezen en schrijven. „Mensen die dat net geleerd hadden werden meteen aangesteld als assistent-secretaris van een van de clubs om hun nieuwe kunde te oefenen.”

Isaacs, die er prat op gaat president Zuma te hebben leren lezen, is even stil. „Eigenlijk”, zegt hij, „was dat lesgeven meer aan mij besteed. Een sportman ben ik nooit geweest. Ik ben hier altijd in deC-competitie blijven hangen. ”