Amerikaans conservatisme putte zichzelf uit

Sam Tanenhaus: The Death of Conservatism. Random House, 123 blz. € 11,30

De politieke verhoudingen in Amerika zijn na jaren van een ‘culturele oorlog’ tussen conservatieven en liberals ernstig gepolariseerd geraakt. Sommige ouderwetse afgevaardigden in Washington klagen zelfs (in Europese oren opmerkelijk genoeg) dat de politiek steeds meer trekjes krijgt van een parlementair systeem: onwrikbare oppositie tussen ideologische blokken, geen ruimte meer voor dissidente meningen of pragmatische coalities. Terwijl de meeste Amerikaanse kiezers snakken naar breed gedragen oplossingen voor problemen, wordt het onder Republikeinen als ideologisch verraad gezien om ook maar mee te denken met de Democraten, en andersom.

Dat was in de jaren zestig heel anders. Toen wist president Lyndon Johnson afgevaardigden van alle richtingen en overtuigingen in het Congres met virtuoos wheelen and dealen te winnen voor zijn hervorming van de gezondheidszorg. De ideologische en morele oorlog die nadien werd uitgevochten heeft die ambachtelijke aanpak van politiek vrijwel onmogelijk gemaakt; president Obama, die campagne voerde met de belofte deze polarisatie te beëindigen, moet knokken voor elke Republikeinse stem.

Volgens Sam Tanenhaus, chef Boeken van The New York Times en biograaf van de communistische spijtoptant Whittaker Chambers, is die heilloze loopgravenoorlog voor een belangrijk deel te wijten aan de ontsporing van het Amerikaanse conservatisme sinds de jaren 70. Van oudsher was dat een prudente politieke overtuiging, gericht op behoedzame vooruitgang van de samenleving, in de geest van de contrarevolutionaire Britse denker Edmund Burke.

Maar vanaf de jaren zestig raakte het conservatisme in de greep van ontgoochelde radicaal- linkse intellectuelen, die in de Koude Oorlog hun oude overtuigingen hadden ingeruild voor een virulent anti-communisme en een ongebreideld geloof in de vrije markt. Dit (neo-) conservatisme werd een heuse ‘beweging’, met radicale aspiraties en dogmatische denkbeelden, die zich ging opwerpen als belichaming van het ‘echte’ Amerika, zoals Sarah Palin het noemt. Het andere Amerika, dat van de politieke tegenstanders, werd daarmee gedegradeerd tot een verachtelijk ballingsoord van landverraders en misleide idioten. Het gevolg: all out ideologische oorlog met voorbijgaan aan de noodzaak van coalities en de redelijkheid van concrete politieke hervormingen.

Haarscherp, en met een fijne pen, laat Tanenhaus zien hoe dit type bevlogen conservatisme zichzelf heeft uitgeput in haatcampagnes tegen politieke tegenstanders en inmiddels ten prooi is aan rigor mortis. Opmerkelijk genoeg typeert hij de huidige president Obama als een politicus die juist in de traditie staat van het oorspronkelijke Amerikaanse conservatisme, veel meer dan diens krijsende criticasters van Fox TV. Obama streeft naar hervorming, niet naar revolutie, hij is niet ideologisch, maar pragmatisch.

Het is een opmerkelijke analyse, zeker uit de pen van een journalist die zelf bekend staat als een bona fide conservatief (en die daarom door literaire kringen aan de Oostkust met enige argwaan werd bekeken toen hij aantrad als chef boeken van de Times). Tanenhaus’ boek is dan ook vooral een oproep aan Amerikaanse conservatieven om te ontwaken uit hun dogmatische sluimering en weer ernst te maken met de gestage verbetering van de Amerikaanse samenleving, niet alleen door individuele inspanning, maar ook door bescheiden, maar doortastend ingrijpen van de federale overheid.

    • Sjoerd de Jong