Aapachtige dame in de beestachtige middeleeuwen

Lion Feuchtwanger: De lelijke hertogin. Vertaald door Hans Driessen. Wereldbibliotheek, 318 blz. €19,90

‘Toegankelijk, genietbaar, spannend’, zo noemde Thomas Mann in zijn korte opstel ‘Freund Feuchtwanger’ (1954) het werk van de Joods-Duitse schrijver Lion Feuchtwanger (1884- 1958). Geen slecht oordeel, want Feuchtwangers romans stellen inderdaad weinig eisen aan de lezer; ze zijn smeuïg en in zekere zin ook onderhoudend.

Lang niet iedereen deelde de mening van Thomas Mann. Veel critici en collega’s als Kurt Tucholsky of Robert Musil hadden slechts hoon voor de veelschrijver. Misschien speelde simpele broodnijd een rol bij dit negatieve oordeel, want Feuchtwanger was in de jaren twintig en dertig in Duitsland en daarbuiten een uiterst succesvolle schrijver met gigantische oplagen, die in weelde kon leven en later in Amerika (hij was gevlucht voor de nazi’s) een onderkomen bezat waar zelfs de notoire villabezitter Thomas Mann jaloers op was.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Lion Feuchtwanger in Duitsland snel vergeten. Anders dan Joseph Roth, Heimito von Doderer of Ernst Weiß heeft hij ook nooit een duidelijke comeback beleefd. Feuchtwanger schreef satirisch-kritische romans over de beginfase van het nationaal-socialisme, zoals Erfolg (1930) en Die Geschwister Oppenheim (1933), maar ook diverse historische romans als Jud Süß (1925) – waarvan de verfilming door de nazi’s schandelijk werd misbruikt – en Der falsche Nero (1936). Ook het nu door Hans Driessen vertaalde De lelijke hertogin (1923), een van Feuchtwangers grootste verkoopsuccessen, is een historische roman. Het boek vormt de opmaat tot een reeks nieuwe Feuchtwanger-vertalingen, en de uitgever spreekt trots van ‘de herontdekking van een grote Europese schrijver’.

De titelfiguur van De lelijke hertogin is de Tiroolse Margaretha (1318-1369), met haar ‘vormeloze hoofd’ en ‘aapachtig uitstulpende mond’ een uitgesproken lelijke vrouw. Margaretha compenseert haar lelijkheid met intelligentie: ze spreekt en schrijft vloeiend Latijn en Italiaans, is thuis op economisch, historisch en politiek terrein. De hertogin regeert over Tirol, dat vanwege zijn rijkdom en strategische ligging door alle andere Europese vorsten wordt begeerd. Bijgevolg wordt ook Margaretha begeerd (‘het huwelijk is het belangrijkste politieke middel’, zegt iemand). Jan van Luxemburg-Bohemen en Lodewijk van Beieren dingen succesvol naar haar hand. Maar tot twee keer toe verliest ze haar echtgenoot aan een beeldschone rivale. Uiteindelijk raakt Margaretha steeds meer vereenzaamd en verwaarloosd, en Tirol komt in het bezit van de Habsburgers in Wenen.

Sterk is het beeld dat Feuchtwanger van de late Middeleeuwen schetst. Oorlogen, branden, pestepidemieën, sprinkhanenplagen en ander ongerief weet hij plastisch te beschrijven. Maar opvallender nog zijn de vele intriges, samenzweringen en andere pogingen om aan de macht te komen, om de invloed uit te breiden. Ergens luidt het: ‘Geld, macht, bezit, genot, daar streefden mensen naar; geldzucht, machtswellust, geilheid, dat waren de motieven waardoor ze zich lieten leiden.’

Feuchtwanger herhaalt tamelijk veel en legt te veel uit. Anders gezegd: hij onderschat de lezer. Ook aan zijn opdringerige taalgebruik moet je wennen. Hij heeft een voorkeur voor de zogenaamde verbale stijl, actie lijkt zijn leidraad en devies. Een typische Feuchtwanger-zin is bijvoorbeeld: ‘En de horens schalden, de pauken dreunden, het feestmaal begon.’ Opvallend zijn ook de vele superlatieven (Jan van Luxemburg is ‘de galantste man van de christelijke wereld’) en vooral de opeenhoping van adjectieven: ‘Heel Europa was vol van zijn opmerkelijke, brutale, amoureuze, glansvolle avonturen.’

In een briljant, maar erg kritisch essay (uit zijn bundel Nachprüfung) heeft Marcel Reich-Ranicki er op gewezen dat Feuchtwangers personages zonder uitzondering ‘schematisch’ zijn. Dat valt niet te ontkennen, veel diepgang hebben ze niet. Ook werkt hij met opvallende contrasten: de erudiete hertogin tegenover haar vrijwel analfabete eerste echtgenoot, een permanent klassieke schrijvers citerende kloosterabt versus een Florentijnse gladjanus annex bankier.

Maar de nadelen van deze roman zijn in evenwicht met de voordelen. Feuchtwanger beschikt ontegenzeggelijk over humor, hij vertelt spannend, en wat misschien wel zijn grootste verdienste is: de diverse verhaaldraden weet hij vernuftig te combineren. Twee personages springen er bovenuit, en in beide gevallen gaat het om figuren met wie hertogin Margaretha sympathiseert, ze zijn even grote verschoppelingen als zijzelf. De eerste is de misdeelde, uiterst onaantrekkelijke (cynische) Konrad van Frauenberg, op wie ze tegen het einde verliefd raakt. De andere is de Jood Mendel Hirsch, die na vele omzwervingen in Tirol belandt, daar voor opbloei en rijkdom zorgt, maar die ten slotte verantwoordelijk wordt gesteld voor de pest.

‘Das muß man mögen’, zegt de Duitser over zo’n boek. ‘Daar moet je van houden’, zeggen wij. De liefhebber van fijn taalgebruik en subtiele psychologie mag je deze roman niet aanbevelen. Maar wie van barokke avonturenromans houdt zal aan De lelijke hertogin veel plezier beleven.