Zelfs auto's kun je smokkelen

In de tunnels tussen Egypte en Gaza bestaat een levendige economie waar de dood heerst.

Het gebied is honderd meter lang en een paar kilometer breed. De Philadelphi Corridor is niet meer dan een klein strookje land aan de zuidelijke grens van de Gazastrook. Ten zuiden, achter een muur, staan de zwart-rood gekleurde wachttorens van Egypte. Kijk je naar het noordoosten, dan zie je de met kogelgaten doorzeefde huizen van de decennialang door oorlog geteisterde stad Rafah.

Dit is het hart van de smokkelhandel, waarmee de geïsoleerde Gazastrook zichzelf in leven houdt. De Philadelphi Corridor (de naam is ooit door een computer bedacht) is een klein dorp, met marktkramen, huisjes van golfplaat en af en aan rijdende vrachtwagens. Brullende generatoren maken een gesprek bijna onmogelijk. Grote hopen zand laten zien dat overal gegraven wordt. Tentdoeken moeten de tunnels aan het oog van Israëlische vliegtuigen onttrekken. Maar vrijwel elke dag is het raak. Karkassen van auto’s en kapotgeschoten gebouwen zijn stille getuigen van de bombardementen. Vorige week nog raakten tien Palestijnen gewond bij bombardementen.

Overdag is het minder gevaarlijk, zeggen vijf mannen die in de schaduw thee zitten te drinken. Ze werken in een van de grootste tunnels en nemen even pauze. Vandaag hebben ze overdag dienst. „De Israëliërs bombarderen alleen ’s nachts.” De geruststelling in die woorden wordt alleen overstemd door het gedonder in de lucht van patrouillerende Israëlische F16’s.

Tussen de 10.000 en 30.000 Palestijnen wagen elke dag hier hun leven. De schattingen van hulporganisaties lopen zo ver uiteen, omdat het meeste werk onzichtbaar wordt verricht. Waar ze het wel over eens zijn: het afgelopen jaar zijn meer dan honderd smokkelaars omgekomen. De meesten door Israëlische bombardementen. Maar er vallen ook doden aan de Egyptische kant. Modderige tunnels storten in. Smokkelaars raken bedwelmd door dampen van de benzine die ze in jerrycans meevoeren. „Het werk is levensgevaarlijk”, zegt Abu Hala’a, eigenaar van enkele grote tunnels. Hij komt op een grote motor kijken hoe de handel gaat. „Ikzelf heb meegegraven. Ik weet: de dood kan op alle mogelijke manieren tevoorschijn komen.”

Het grensgebied tussen Gaza en Egypte is onder de grond een gatenkaas. Omgekochte Egyptische ambtenaren en bedoeïenen werken aan de andere kant van de muur nauw samen met de Palestijnen. Alles wat Israël tegenhoudt bij de grensovergangen met de Gazastrook, komt zo het gebied binnen. Israël laat alleen een kleine hoeveelheid noodhulp binnen, zoals melk en rijst, sinds de islamitische beweging Hamas in 2007 de volledige macht greep in het kleine, dichtbevolkte gebied. Israël zegt Hamas met een blokkade op de knieën te willen dwingen.

Abu Hala’a somt routineus op wat hij binnenbrengt. „Luiers, chips, geiten, schapen. Na de laatste oorlog is er veel vraag naar cement, hout en glas.” Sinds kort kunnen er zelfs auto’s gesmokkeld worden. De markten van Rafah staan bomvol met gesmokkelde waar. Kraampjes zijn volgestouwd met sloffen sigaretten, dozen parfum en frisdrank.

Abu Nidal, een zwijgzame man in een blauw trainingspak, bedient de telefoon bij een van de grotere tunnels, met een diameter van ruim twee meter. Af en toe roept hij naar beneden, waarna er uit de diepte een antwoord galmt. Uit de met steen afgewerkte tunnel komt een ondraaglijke stank: hij en zijn collega’s smokkelen kunstmest. De tunnel is met peertjes verlicht en leidt recht naar beneden, een meter of dertig diep. Daarna moeten de smokkelaars een kilometer lopen. In Egypte komen ze weer boven. „Natuurlijk is het levensgevaarlijk”, zegt Abu Nidal. „Maar het is de enige manier om te overleven. Ik verdien hier honderd shekel per dag mee (ongeveer twintig euro).”

Maar de zaken gaan slecht voor de smokkelaars. De Israëlische beschietingen – die het heftigst waren tijdens de drie weken durende Gaza-oorlog omstreeks de jaarwisseling – konden ze nog voor lief nemen. Gevaarlijker wordt het nu Egypte meer werk is gaan maken van de bestrijding van de smokkelhandel. Israël en de Verenigde Staten voeren de druk op de Egyptische regering op om harder in te grijpen. Volgens Israël wordt de islamitische Hamasregering in Gaza bewapend via de tunnels.

Egypte is, zo blijkt aan de grens, gevoelig voor deze druk. Aan de andere kant van de grens staat een gigantische drilboor. Die boor gaat op goed geluk hier en daar de grond in – het is met een netwerk van misschien wel duizend tunnels altijd wel prijs. Wordt er een tunnel gevonden, dan wordt die volgegooid met water. De smokkelaars verdrinken onherroepelijk. Bovendien: van smokkelaars die in Egypte betrapt worden, hoort niemand ooit meer iets. „De meesten zijn ermee opgehouden”, zegt Abu Hala’a. „Het gevaar om te sterven wordt steeds groter. Kijk maar om je heen: het was een paar maanden geleden nog veel bedrijviger.”

„Het is een ramp daar”, zegt ondernemer Maamon Khozendar in zijn huis in Gaza-stad. Khozendar, een zestiger met een grijze baard, behoort tot de rijkste inwoners van de Gazastrook. Hij staat aan het hoofd van een investeringsmaatschappij die wereldwijd opereert. In Gaza handelt hij in gesmokkelde benzine, stenen en cement. „Een ton cement leverde me een jaar geleden 80 dollar op, nu is dat 450 dollar. Het is schaars, iedereen wil bouwen na de verwoestingen van de oorlog.”

De smokkelhandel is niet langer lucratief, zegt Khozendar. „Ik werk altijd via stromannen, Khozendar is onzichtbaar. Iedereen krijgt zijn deel. Ik laat marmeren stenen importeren uit Italië. Die gaan per schip naar Kairo. Daar kopen mijn mensen douanebeambten om, die ervoor zorgen dat de stenen naar de grens met Gaza gaan.” Hij telt met zijn vingers na. „Ik betaal de bedoeïenen die de stenen door de woestijn vervoeren. Ik betaal pacht aan de boeren onder wier land we tunnels hebben gegraven, ze krijgen bijvoorbeeld tien cent per gesmokkelde liter benzine. Ik betaal de grensbewakers. Ik betaal aan Hamas, aan de gemeente Rafah, aan drie ministeries. En aan de smokkelaars natuurlijk.”

Wat de economie van de smokkelhandel verder compliceert, is het gecompliceerde spel van vraag en aanbod. „Ik smokkel benzine, dat is makkelijk. Benzine is altijd nodig en het is met een pijpleiding eenvoudig te vervoeren. Maar stel: je wilt schoenen importeren. Goed plan! Je graaft een mooie tunnel, betaalt je mensen en smokkelt schoenen. Na een maand loopt iedereen op nieuwe schoenen en moet je weer opnieuw beginnen met het opbouwen van je handel.”

De afnemende smokkelhandel heeft nog niet voor tekorten gezorgd. De prijzen van voedsel zijn de laatste maanden flink gedaald in Gaza, zeggen handelaren. Dat komt weer, zegt smokkelaar Abu Hala’a, door de lagere kosten van smeergeld aan tussenpersonen. „Omdat veel smokkelaars ermee stoppen, kunnen zij minder geld vragen. Ik hoef dus minder af te dragen.” Abu Hala’a, de eigenaar van enkele grote tunnels, investeerde tienduizenden dollars in zijn project. Het maken van zo’n tunnel kost veel mankracht, en om te mogen graven moet hij duizenden dollars belasting betalen aan Hamas. De regering vraagt bovendien een belasting op alles wat binnenkomt. Alleen goederen die de zegen van de islamitische beweging hebben, mogen binnenkomen. Het is bijna ironisch: een maatregel die bedoeld was om Hamas af te knijpen, levert de beweging in de praktijk dus geld óp.

Ondernemer Maamon Khozendar is rijk genoeg om het probleem van de Egyptische drilboren en de Israëlische luchtaanvallen te omzeilen, zegt hij. „Tijdens de oorlog zijn er tunnels verwoest. Maar ik zorg er nu voor dat mijn tunnels minimaal dertig meter diep gaan, onbereikbaar voor sabotage. Ze gaan bovendien anderhalve kilometer ver, aan beide kanten van de grens.” De smokkelaars die het hardst getroffen worden, zegt Khozendar, zijn „de amateurs” – de mensen met de simpelste tunnels. „Als je je niet kunt wapenen, is het een kansloze investering.”