Sintérklaas

Sinterklaasgedichten vormen een heel aparte categorie gedichten. Waarom? Omdat je ze nooit zelf mag voorlezen. Als een officiële dichter een gedicht schrijft, dan stopt hij dat in een bundel en weet hij niet wat er verder mee gebeurt, of hij gaat dat gedicht zelf met de juiste intonatie en op het juiste tempo voordragen op een poëzieavond.

Het moeilijke van het sinterklaasgedicht is dat iemand anders jouw werk moet voorlezen, terwijl het misschien niet de beste poëzie is, qua rijm en metrum.

Stel dat een gedicht net niet lekker loopt, dan kan de sinterklaasdichter dat oplossen door accenten te plaatsen op lettergrepen die eigenlijk de nadruk niet hebben: „Rob heeft een hevig temperament, maar Sint vindt: ‘Hij is tenminste wel levénd.’”

Hier nu ligt een heel terrein open voor mensen die zich ergeren aan klemtoongebruik. Want door het juiste gedicht te schrijven, kun je de ander jouw versie van het woord laten zeggen. Párfum of parfúm, bíologisch of biológisch, normalíter of normáliter. In de noordelijke provincies zegt iedereen ‘mét elkaar’, terwijl alles onder Drenthe ‘met elkáár’ zegt.

Zelf denk ik te weten dat het nótulen is en niet notúlen, maar ik bevind me in zó’n klein groepje gelijkgestemden dat het best kan dat we ongelijk hebben, of inmiddels door taalverandering ongelijk hebben gekregen.

Wat niet wegneemt dat ik keihard in een gedicht mijn gelijk zou kunnen halen. (In praktijk probeer ik vaak iets te zeggen als nótúlen, dan zit ik ertussenin.)

Ik ken mensen die wisten dat het spel Kolonisten van Catan oorspronkelijk uit Duitsland komt, en daarom altijd ‘cataan’ zeiden. In hun sinterklaasgedicht hadden ze het op een ‘aan’-woord laten rijmen (‘geen reet aan?’ ‘hou dit spel bij mij vandaan?’). Dat werd niet begrepen; Catan werd gewoon als Catan voorgelezen het gedicht rijmde niet.

Want dat is natuurlijk ook een oplossing voor mensen die het gehad hebben met rijmschema’s en klemtonen – gewoon helemaal richting de free verse gaan. Beetje gedachten en gevoelens op papier knallen, en vervolgens in een hoekje heel interessant gaan zitten kijken.

paulien cornelisse