Ons

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen.

De salontafel lag vol met kliekjes van Kemals bruiloft. Het was de derde dag na zijn huwelijksvoltrekking; hij had al het geroosterd geitenvlees dat was overgebleven naar ons huis meegenomen.

„Wat een mooie vrouw heb je getrouwd, Kemal. Maar hoe heet ze eigenlijk?” zei Mustapha terwijl hij zich volpropte met het sterk geurende geitenvlees. „Haar naam”, zei Kemal en pauzeerde even „is Hülya.” „Hülya”, zei Mustapha dromerig. „Wat betekent Hülya?”

„Abe, als ik jou de betekenis vertel, dan geloof je mij niet. Ik had één grote wens.” Kemal stak een vinger in de lucht. „Eén wens. En dat was trouwen met een mooi meisje uit Emirdag, mijn geboortedorp. Twee weken geleden zag ik haar. Ik hoorde muziek in mijn hoofd, abe. Zij was zo mooi. Ik ben door heel IJmuiden achter haar aan gelopen. Toen zag ik haar binnenlopen bij Yaçin, je weet wel, mijn buurman. Die klootzak had haar altijd verborgen gehouden. Zelfs in Emirdag, want daar had ik haar ook nog nooit gezien.” „En toen”, zei Mustapha die op het puntje van zijn stoel zat.

„Magneet, abe”, zuchtte Kemal. „Het was alsof Allah mijn hand pakte en ermee op deur bonkte. Yaçin deed de deur open en vroeg wat er aan de hand was. Ik had mijzelf niet in bedwang en brulde: ‘Dat meisje, dat meisje, wie is zij?’ Yaçin zei: ‘Rustig, rustig, abe, dat is mijn dochter. Heeft ze iets schandelijks gedaan?’ En toen zei ik: ‘Wallah Yaçin, als je een echte zoon van Emirdag bent dan geef je haar aan mij, anders hang ik mezelf op. Daar aan die boom, voor je deur.’ En de rest is geschiedenis, Mustapha.”

„Wat een verhaal”, zei Mustapha. „Maar wat betekent Hülya nou?”

„Hülya, mijn Marokkaanse vriend”, en weer pauzeerde Kemal, „betekent: mijn grootste wens. En dat was zij, mijn grootste wens die uitkwam.”

Ik had al die tijd lusteloos naar het verhaal van Kemal geluisterd. Voor mij was er geen reden tot vrolijkheid. „Waarom kijk je alsof er iemand dood is, Driss?” vroeg Kemal. „Ben je niet blij voor mij?”

„Laat ’m maar”, zei Mustapha. „Hij heeft ruzie gehad met Jolanda.”

„Echt waar?” vroeg Kemal.

Ik knikte. „Ja. Echt.”

Het gebeurde na de bruiloft van Kemal. Ik bracht Jolanda naar huis. Ze was zwijgzaam en liep in een stevige pas alsof ze niet wist hoe snel ze weer in haar eigen wereld moest komen. „Vond je het leuk?” vroeg ik.

„Absoluut niet”, antwoordde ze. „Ik zat daar helemaal in m’n eentje tussen allerlei vreemde vrouwen van wie er niet één Nederlands sprak. En ondertussen zat jij bij de mannen lekker te feesten en plezier te hebben. Waarom kon ik niet bij jou zijn?”

„Maar dat kan toch niet, lieve Jolanda. In onze culturen kunnen vrouwen en mannen niet mengen op een feest.”

„En dat vind jij goed?” „Ja, zo gaat het altijd.” „Zo gaat het altijd? Dus ook wat ons betreft?” „Ons?” „Ja, jij en ik, Driss. Ons!” Ik wist niet wat ik moest antwoorden. „Laat maar. Ik loop wel alleen naar huis.”

De dag die zo goed begon, eindigde in totale verwarring. Was Jolanda boos omdat ik het naar mijn zin had en zij niet? Of omdat ik niet begreep wat ze bedoelde met ons? Ik liep haar nog achterna, maar ze wilde niet meer met me praten. Ik stond als bevroren op één plek en kon alleen nog maar toezien hoe ze van mij wegliep.

Driss Tafersiti

    • Driss Tafersiti