Nooduitgang

De plicht van ieder vrij mens: er even tussenuit gaan of knijpen. Na jaren van beestachtig hard wroeten dwing ik mezelf een ander, menselijker leven uit te proberen, namelijk het toeristenleven. Ik gun mezelf de hipste stad van Duitsland, zijnde Trier.

Ik ga er naar de toeristische dienst, vraag een fiets en stadsplan en stippel voor mezelf een wonderlijke route uit langs de Moezel. Het miezert maar miezeren hoort erbij. Helaas, na een ritje van amper twee kilometer bliksemt een inzicht mij van mijn stalen paard: Wat doe ik hier? Zit ik hier nu op een zondagochtend, net zoals meer dan een miljoen andere Vlamingen, de wielertoerist uit te hangen? Is dit nu mijn nieuwe leven? Kan ik echt niets beters verzinnen?

Na een half uur doorkankeren heb ik helemaal geen zin meer om in dit rotweer een debiele fietspromenade langs die modderfokking modder-Moezel af te leggen. Ik keer terug naar Trier-city met een acute, loodzware depressie die op alle West-Europese weerkaarten zichtbaar is.

Inmiddels is het bijna middag. Ik moet dringend aan het relaxwerk, voor het weekend om is. Ik besluit iets te doen wat meer past bij mijn fijnbesnaarde toeristen-ik. Ik ga mij verdiepen in de Romeinse kunst van het Rheinisches Landesmuseum. In het museum bots ik tegen een oude Germaan die nu opdraaft als zaalwachter. Hij zegt traag en nadrukkelijk tegen mij: blöde Kuh. Bij iedere stap die ik zet, hoor ik hem fluisteren Ausländer raus. Wat een idee ook. Het Rheinisches Landesmuseum. Ik had net zo goed de ene zaal na de andere van bejaardenhuis Altenheim Trierelier kunnen afdweilen. Ik had evenveel antiek te zien gekregen. Weet ik dan echt niet hoe mijn tijd te doden? Zie-lig. Misselijk door dit besef neem ik de eerste de beste nooduitgang, weg van dat pseudo-verheven gedoe. In de frisse lucht kom ik weer tot mezelf.

Eens lekker gaan eten, dat zal me blij maken. De Pfeffermühle lokt mij naar binnen. Hoopvol en hongerig schuif ik mijn benen onder tafel. Wanneer de ober mijn wildragout brengt, krimp ik ineen. Hoe kan ik hier nu doodleuk mijn lijf volproppen terwijl meer dan een miljard mensen honger lijden, terwijl het poolijs smelt en de ijsberen zich vastklampen aan de drijvende rotsen, terwijl duizenden kilo’s coke wachten op gebruik? Ik moet haast braken.

Ik vraag de rekening en stap naar mijn wagen. Ik ben echt te oud om nog meer tijd te verspillen. Ik moet het roer omgooien. Het moment is aangebroken voor iets groots. Al rijdend begin ik te dromen: ik, de Obama der Lage Landen. Ik steek mijn handen in de lucht en roep het uit: “Change! Yes, we can!” Euforisch knal ik tegen mijn garagepoort. Mijn airbag gaat af. Eindelijk thuis. Yes, I am!