Gewenst: Inspectie die bijt

De Nationale Ombudsman vindt dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg ernstig tekortschiet.

De inspecteurs voor de gezondheidszorg maken vandaag iets nieuws mee. Hun Inspectie (IGZ) werd geïnspecteerd, met onverwachte uitkomst. De Nationale Ombudsman oordeelt dat de Inspectie in de geestelijke gezondheidszorg te veel als ‘papieren tijger’ optreedt. Niet doortastend, te veel vertrouwen op de zorginstelling, te weinig in de burger, slechte communicatie en weinig transparantie. Aanleiding is een vijftal klachten van burgers die vastliepen bij de zorginstelling en daarna bij de Inspectie.

De afgelopen maanden namen zorginstellingen de IGZ onder vuur wegens het omgekeerde. De inspectie zou juist te scherpe rapporten opstellen en schadelijke publieke uitspraken doen. Zo stelde de vereniging van kleine ziekenhuizen dat de inspectie overhaast een kritisch rapport publiceerde en ten onrechte dreigde intensivecareafdelingen te sluiten. De vereniging klaagde daarover bij de Ombudsman.

En die zegt vandaag dat diezelfde IGZ zich in de gehandicaptenzorg ten onrechte beperkt tot „gegrom op de achtergrond”. De burger heeft recht op een inspectie die kan bijten. De Ombudsman wil dat de IGZ er in de zorg voor geestelijk gehandicapten juist een duidelijke schep bovenop doet.

Het instituut Nationale Ombudsman waardeert het dat de IGZ zich onder inspecteur-generaal Gerrit van der Wal, aangesteld in 2006, al meer op handhaving richt en zich proactiever gedraagt. Van adviseur-op-de-achtergrond verandert de IGZ in een echte controleur. Althans op papier. De omslag in de praktijk is nog niet gemaakt, constateert de Ombudsman op basis van de vijf klachten, die dateren uit 2006 en 2007.

Het belangrijkste argument voor een hardere opstelling vindt Brenninkmeijer in de privatisering van de zorg. Als het de burger via klachten niet lukt daarin verbeteringen voor het gehandicapte familielid af te dwingen, dan moet de overheid zich „maximaal inspannen”. Niet alleen omdat het om een zeer kwetsbare groep mensen gaat, maar ook omdat het recht op gezondheidszorg een grondrecht is, afdwingbaar via mensenrechtenverdragen. Klachten over de zorg kunnen dus niet worden afgedaan zoals bij een touroperator en diens teleurgestelde reizigers naar de zon.

Met groeiende marktwerking in de zorg is de wettelijke beschermingsplicht van de overheid extra zwaar gaan wegen. Burger en overheid moeten daarbij op elkaar kunnen bouwen. Daar hoort dus geen Inspectie bij die van oudsher gewend is nauw samen te werken met zorginstellingen, vertrouwt op de informatie van ziekenhuizen, liefst achter de schermen toeziet en wacht op klachten.

Brenninkmeijer vraagt om een strijdbare, actieve en solidaire Inspectie, die informatie van burgers als feedback ziet en kritisch afstand houdt tot de gevestigde belangen. Als klachten bij de particuliere inrichtingen bijvoorbeeld niet goed worden afgehandeld, dan moet de IGZ dat op zich durven nemen.

Met het gebruikelijke aankondigen van inspectiebezoeken loopt de inspectie grote risico’s, zegt de ombudsman. Als de overheid wil weten of de hygiëne in orde is, het afgesproken aantal personeelsleden aanwezig is en de zorgdossiers goed worden bijgehouden, „kan [die informatie] alleen worden verkregen door onaangekondigd een inspectiebezoek af te leggen”.

Ook in het contact met de burger heeft de Inspectie het nodige te leren. Daarvoor gebruikt de Ombudsman het beginsel van de procedurele rechtvaardigheid als maatstaf. Dit is een behoorlijkheidsnorm voor overheidshandelen die de elementaire eisen van goede omgang met elkaar vastlegt. De burger moet gehoord worden en er zeker van kunnen zijn daarmee de procedure en de uitkomst ervan te beïnvloeden. Bij de vijf onderzochte klachten wemelde het van de omissies. Wederhoor werd vergeten, contacten verwaarloosd, beslissingen niet overgebracht en consultaties nagelaten. De vijf klagers voelden zich te vaak niet gehoord, weggestuurd of niet serieus genomen.

    • Folkert Jensma