Een nieuw lichaam, en niemand die het ziet

De behandeling van jongeren die van geslacht willen veranderen, begint nu al bij dertien jaar.

In gesprek met een jonge en een oudere transseksueel.

Volgens Nicky (18) zijn er drie generaties transseksuelen. Je hebt de ouderen, waarbij je duidelijk ziet dat ze oorspronkelijk man of vrouw waren. „Zelfs als Hariëtte goed is gelukt, zeg maar, hoor je vaak nog een Harry spreken.” Er zijn transseksuelen die er rond hun zestiende of achttiende achterkomen. En je hebt de generatie van Nicky, de generatie die al heel jong puberremmers krijgt. „Van ons ziet de buitenwereld niet dat we genderdysfoor zijn.”

Transseksuelen worden op steeds jongere leeftijd behandeld. Het Zorgcentrum Genderdysforie van het Amsterdamse VU Medisch Centrum is gespecialiseerd in de behandeling van deze jonge groep. Hoogleraar medische psychologie Peggy Cohen-Kettenis is de stuwkracht achter deze ontwikkeling. Was de gemiddelde leeftijd van jongeren die in 1987 bij het ‘genderteam’ aanklopten nog 16,5, nu is dat 13 jaar. Sinds 2000 zijn er ruim tachtig jongeren geholpen.

„Het grote voordeel van behandeling op jonge leeftijd is dat niemand ziet dat je eigenlijk als jongen of meisje bent geboren”, zegt Cohen-Kettenis. „Je moet het natuurlijk wel tegen je partner zeggen, maar in je sociale leven, , in de buurt, bij de sportclub of op je werk hoeft dat niet.”

Vroeger kwamen er ook wel eens jongeren van veertien, vijftien jaar naar het centrum, „maar toen wisten we niet wat we met hen moesten doen”, vertelt Cohen-Kettenis, „Dan zeiden we dat ze op hun achttiende maar terug moesten komen.” Met als nadeel dat ze al volgroeid waren. Een meisje had borsten, vrouwelijke vetverdeling, rondere vormen. Een jongen had een zware stem, baardgroei en forse bottenstructuur. „Als ze al op hun zestiende beginnen met hormonen van het andere geslacht, de cross-sex-hormonen, kan je sterk mannelijke of vrouwelijke trekken voorkomen”, stelt Cohen-Kettenis, „Maar eigenlijk is dat al aan de late kant.”

Het was reden voor de hoogleraar om samen met een collega, hoogleraar kinderendocrinologie Henriëtte Delemarre-van de Waal, deze groep jongeren vanaf hun twaalfde met puberteitsremmers te laten beginnen. De puberteitsontwikkeling van het lichaam wordt dan gedeeltelijk stilgelegd. Cross-sex-hormonen, om juist de kenmerken van het andere geslacht te verkrijgen, nemen ze vanaf hun zestiende. „We willen mensen het liefst zo jong mogelijk diagnosticeren, maar we willen wel de eerste fasen van de puberteit zien. Daarna krijgen ze de puberteitsremmers die ervoor zorgen dat ze de tijd kunnen nemen om uit te zoeken of ze het echt willen. Sommigen groeien er namelijk overheen.”

Jaarlijks melden zich zo’n dertig tot veertig jongeren bij het gendercentrum. Tweederde van hen komt in aanmerking voor behandeling. De eerste groep jongeren die bij binnenkomst onder de 16 was, is nu zo rond de 23 jaar oud.

Er is ook kritiek op deze behandeling: kinderen zouden zelf nog niet goed kunnen kiezen. Maar, brengt Cohen-Kettenis daar tegenin, het wordt bijna nooit omgedraaid. „Wat gebeurt er als je het kind níét behandelt? Dan krijgt het grote psychische problemen. Gemiddeld genomen zijn juist de oudere transseksuelen er slechter aan toe als ze zich aanmelden. Als je op volwassen leeftijd met de behandeling begint, kan er veel meer zijn misgegaan. Ook na de behandeling hebben ze vaak nog problemen binnen hun sociale omgeving, omdat je altijd blijft zien dat ze niet als iemand van het ‘nieuwe’ geslacht geboren zijn.”

Aan de andere kant: niemand kan in de hersenen meten of een kind van twaalf echt een geslachtsverandering wil. „Daarom zien we de kinderen vaak en intensief”, zegt Cohen-Kettenis. Bovendien merkt ze dat ouders er tegenwoordig makkelijker mee omgaan als hun zoontje zegt graag een meisje te willen zijn, of andersom. Ook scholen begeleiden het tegenwoordig beter. „Zo’n jongen gaat bijvoorbeeld vanaf zijn dertiende als meisje naar school terwijl dat voor ons pas hoeft als hij hormonen gaat slikken.”

Maar het blijft natuurlijk een heel gedoe. „Het geeft veel psychische druk. Al is de omgeving meestal niet verbaasd. Het waren natuurlijk altijd al hele stoere meisjes of vrouwelijke jongens. Soms maak ik me wel eens druk dat er over tien jaar een groep jongeren voor mijn deur staat die ontevreden is. Maar dat is tot nog toe nog niet gebeurd. Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die er niet gelukkig mee was.”

‘De onrust in mij bleef’

Anne (64) uit Amsterdam

„Het was een proces van jaren. Ik heb afgelopen augustus mijn geslachtsveranderingsoperatie gehad. Toch wist ik al op mijn achtste dat ik anders was. Ik was jaloers op meisjes dat zij in mooie kleren mochten rondlopen en lang haar mochten hebben. Daarom ben ik altijd meer met meisjes opgetrokken dan met jongens. Nu nog. Ik voel meer gelijkheid bij vrouwen. Wat het precies was wist ik niet toen ik nog een kind was. Ik heb er vroeger ook nooit over gepraat, het was onbespreekbaar.

„Alles ging stap voor stap bij mij. Ik werd timmerman, net als mijn vader. En later bouwkundig tekenaar. Nu werk ik nog bij een architectenbureau. Ik ben in die tijd op balletles gegaan. Dat was een verademing voor mij, zo fysiek bezig zijn. Dansen zorgde voor balans in mijn leven. Rond mijn zesentwintigste kreeg ik mijn eerste relatie met een vrouw. Daar ging ik op een zeker moment toch naar verlangen, je wilt voldoen aan het plaatje; vrouw, trouwen, kinderen. Toen ik mijn partner vertelde dat ik thuis graag jurken droeg, ging het mis.

„Later ontmoette ik een andere vrouw met twee kinderen. We werden verliefd, we trouwden. Alles is goed, dacht ik toen. Het is me gelukt. Maar het vrouw willen zijn komt toch weer bovendrijven. Het was telkens niet voldoende. De seks was lastig. We zijn uit elkaar gegaan. Het is een onrust in je die blijft.

„Een gevoel dat je iets mist, dat je in jezelf opgesloten bent. Na mijn scheiding ben ik naar avonden van de NVSH gegaan. Eén keer in de maand je als vrouw verkleden, en je weer omkleden voordat je teruggaat. Later verkleedde ik me thuis. Dan sta je eerst een kwartier achter de voordeur voordat je ’m open durft te doen.

„In 2000 bezocht ik voor het eerst het genderteam van de VU in Amsterdam. Ik heb daar gesprekken gehad, maar ik voelde dat ik er nog niet klaar voor was. Pas een paar jaar later ging ik terug, toen wist ik zeker dat ik vrouw wilde zijn en uiteindelijk de operatie wilde. Het heeft me dus tot na mijn zestigste gekost. Maar nu straal ik.

„Je kunt de tijd niet terugdraaien, ik kan geen korte rokjes meer aan, je moet je kleden naar je leeftijd. Ik heb deze tijd nu eenmaal nodig gehad. Ik vind het fijn dat jongeren nu al vaak goed opgevangen worden door hun ouders en de school. Dat was in mijn tijd wel anders. Ouder zijn heeft zeker ook nadelen. Zo’n operatie is toch een aanslag op je lijf.”

‘Ik was nooit een jongen’

Nicky (18 jaar) uit Gelderland

„Ik heb nooit tegen mijn ouders hoeven zeggen dat ik een meisje ben. Ik was het altijd al. Het is ook geen kwestie van kiezen, dat denken mensen weleens, ik ben nooit een jongen geweest. Vanaf mijn negende besefte ik echt dat ik een meisje was, maar ook daarvoor speelde ik meer met de barbiepoppen van mijn zus dan zijzelf. Ik voelde aan zachte theedoekjes van oma, liep in de winkel direct naar de meisjesafdeling en maakte mijn haar met klemmetjes meisjesachtig.

„Tijdens een culturele avond op de basisschool ben ik als prinses gekomen. Dat was voor mij de eerste, echte keer dat ik me voor de buitenwereld als meisje kleedde. Thuis deed ik dat vaker. De zomervakantie daarna leefde ik de hele tijd als meisje en niemand vond het raar. Toen school weer begon, huilde ik omdat ik weer jongenskleren aan moest. Mijn moeder zei toen dat ik me maar moest omkleden en als meisje naar school moest gaan. Sindsdien heb ik nooit meer jongenskleren gedragen.

„Ik ben heel veel gepest. Dat zou ik zelf ook doen, je bent toch een rariteit. Ik werd uitgescholden, ik kon niet zonder opmerking van het ene lokaal naar het andere lopen. Een jongen heeft een keer tampons en maandverband in mijn schooltas gestopt. En op schoolavonden hielden klasgenootjes weddenschappen over wie met mij durfde te zoenen.

„Toch ben ik blij dat ik het al zo vroeg wist. Bij oude transseksuelen zie je het toch. Op mijn elfde ben ik voor het eerst naar het ziekenhuis gegaan. Ik heb allerlei tests gedaan, en ik had een 100 procent-score: er was geen twijfel over dat ik een meisje ben. Toen heb ik puberremmers gekregen. Elke maand een injectie in mijn dijbeen. Vanaf mijn zestiende slik ik vrouwelijke hormonen. Op mijn twintigste hoop ik dan geopereerd te worden.

„Ik zeg steeds minder vaak dat ik geboren ben in een jongenslichaam, al merk ik dat mensen er uiteindelijk toch altijd achterkomen. Via internet, via verhalen. Ik mis natuurlijk wel wat. Verliefdheid, zoenen, ongesteld zijn. Gelukkig heb ik niet zo’n behoefte aan jongens. Seks. Ik zou niet weten hoe ik dat vorm zou moeten geven.

„Mijn geluk is dat mijn ouders er nooit moeilijk over hebben gedaan. Mensen zeggen soms wel dat ze niet streng genoeg zijn geweest. Dat ze me meer met autootjes hadden moeten laten spelen. Ach. Ik heb geen normale jeugd gehad. Maar wel een zo normaal mogelijke jeugd.”

    • Jessica van Geel