Drie waakhonden

Een schoonheidsprijs verdient het niet, het akkoord dat de ministers van Financiën van de EU gisteren bereikten over een nieuw, gezamenlijk toezicht op de financiële sector. Dat neemt niet weg dat er een belangrijke horde is genomen bij het tot stand brengen van een samenhangend regime. Drie nieuwe pan-Europese ‘waakhonden’ zullen zich bezighouden met het toezicht op respectievelijk de effectenhandel, de bancaire- en de verzekeringsbranche.

Gezamenlijk toezicht is hard nodig. De kredietcrisis heeft pijnlijk duidelijk gemaakt dat de financiële sector toe is aan een meer samenhangende set van regels, standaards en gebruiken. De versnippering van het toezicht over 27 lidstaten en daarbinnen nog eens verschillende organisaties heeft een lappendeken opgeleverd, die krachtig ingrijpen sterk hindert. Banken, verzekeraars en beleggers opereren transnationaal, terwijl het toezicht nog landgebonden is. Dat is vragen om verwarring, toezichtsarbitrage en competentiestrijd als het fout gaat. Zie het warrige gevecht tussen Nederland en België rond de redding van Fortis, vorig jaar.

Niet dat het wegvallen van de onderlinge toezichtsverschillen tussen deelstaten alles zal oplossen. In de Verenigde Staten ligt per slot van rekening de kiem voor de huidige kredietcrisis. De overlap, rivaliteit en gebrekkige taakafbakening tussen de verschillende financiële toezichthouders is daar minstens even verwarrend en schadelijk gebleken.

Toch is het EU-akkoord een stap in de goede richting. De drie op te richten instanties hadden een steviger fundament mogen meekrijgen. Maar de materie is weerbarstig, in economisch en in politiek opzicht. Er blijft rivaliteit tussen de lidstaten over de eigen positie als financieel centrum. Dat is gezond, maar heeft als risico dat er concurrentie tussen nationale toezichtsregimes blijft, met een race naar de bodem als gevolg. Verder is er de fundamentele kwestie dat een toekomstige aanwijzing van een pan-Europese toezichthouder aan een lidstaat om een financiële instelling te hulp te schieten, rechtstreeks ingrijpt in de nationale soevereiniteit. ‘Brussel’ zal een lidstaat kunnen bevelen om geld uit te geven.

Het is van groot belang dat het Verenigd Koninkrijk, dat met Londen veruit het belangrijkste financiële centrum heeft, binnenboord is gebleven. Al is dat ten koste gegaan van de aanvankelijk beoogde krachtdadigheid van de nieuwe toezichthouders en heeft het een noodprocedure opgeleverd waarin een besluit van een toezichthouder via de Raad van Ministers van de EU kan worden teruggedraaid. Dat is niet fraai, maar voorlopig het hoogst haalbare.

Naarmate de herinnering aan de meest acute, levensgevaarlijke fase van de kredietcrisis vervaagt, wordt het politiek moeilijker om de vergaande maatregelen te nemen die een nieuwe architectuur van het financiële systeem vergt. Daarom is het gunstig dat er überhaupt overeenstemming is over een nieuw, pan-Europees toezichtsregime. Ook al is dat nog verre van perfect.