De Zitting / Identiteitscontrole mondt uit in worsteling voor het politiebureau

bankjeOp 22 september zat de 20-jarige Rifaad H. met vrienden buiten op een bankje. De politie vroeg hem om een identiteitsbewijs. Donderdag stond hij in de rechtbank van Rotterdam terecht voor belediging van ambtenaar in functie en verzet bij arrestatie. 

De bekeuring voor het niet kunnen tonen van een identiteitsbewijs had Rifaad eerst gelaten in ontvangst genomen. Daarna sloeg de verontwaardiging toe. Hij was namelijk tegen de muur gezet en zomaar gefouilleerd. Onrechtvaardig, vond Rifaad. En daarom besloot hij samen met zijn vriend Redouan verhaal te halen bij het nabijgelegen politiebureau op het Marconiplein. “Binnen werd hij van het kastje naar de muur gestuurd”, verklaart advocaat Van Bel.

Klacht of aangifte?

De agent achter het loket zei dat de jongens even moesten wachten en verwees ze naar een kamertje. Toen ze opgeroepen werden, vroeg een andere agent: “Wilt u een klacht indienen of een aangifte doen?” Maar Rifaad wilde gewoon zijn verhaal kwijt; het verschil tussen klacht en aangifte was hem niet duidelijk. “Wat wilt u nou, een klacht of een aangifte?”, herhaalde de agent. Rifaad wist niet wat hij moest kiezen. Hij wilde opheldering, meer niet. Dan krijgt hij de mededeling dat hij maar naar het 0900-nummer van de politie moet bellen en wordt verzocht met zijn vriend het bureau te verlaten.

Eenmaal buiten, voor de ingang van het politiebureau, belt hij het nummer. Niet veel later komt de wachtcommandant naar buiten. En nu wegwezen, zou deze politieman gezegd hebben. Vanaf hier lopen de verklaringen van Rifaad en de agenten uiteen.

Allereerst is er onduidelijkheid over wat Rifaad naar de agenten geroepen heeft. Rechter Scheffers leest voor uit het dossier: “Weet je wat jij kan krijgen, een vinger in je reet. Je kan de kanker krijgen.” Die eerste zin klopt wel, geeft Rifaad toe. Maar hij ontkent de agent ‘kanker’ te hebben toegewenst.

Doen wat politie zegt

“Ik ben meerdere malen gewurgd”, zegt Rifaad, doelend op de worsteling die volgde. “U moet me even laten uitpraten. Ik was midden in een zin”, zegt de rechter, die nog bezig was met de voordracht uit het dossier. “Waarom zegt u dat soort dingen?”, wil ze weten. “Het ligt aan de manier waarop het is gegaan”, antwoordt Rifaad. “Het was de druppel die de emmer deed overlopen.” De rechter legt uit dat hij als burger niet in gelijke verhouding staat tot een politieman. Dat hij moet doen wat de politie zegt.

“Ja, maar ik kreeg twee vuistslagen”, werpt Rifaad tegen, die het nu toch echt over de worsteling wil hebben. “Ik heb er een gekneusde schouder aan over gehouden.” U verzette zich tegen de aanhouding, werpt de rechter tegen. “Dat klopt niet. Ik ben gepakt”, antwoordt Rifaad, die met zijn armen uitbeeld hoe hij in de houdgreep is genomen. “Er zijn zes agenten op me gesprongen. Later waren er wel tien agenten. ‘Hij spuugt’, zeiden ze. Ik citeer. Maar dat heb ik niet eens gedaan.” Rifaad benadrukt zijn woorden met klapjes op de tafel. Zijn in trainingsbroek gestoken benen wiebelen ongedurig onder de tafel.

Niet serieus genomen

De rechter vindt het tijd voor het verhoor van de getuige en zegt dat Rifaad plaats moet nemen naast zijn advocaat. Vriend Redouan wordt binnengelaten. Hij doet zijn pet af en legt het ding op zijn knie. Of hij al zestien is, vraagt de rechter. Dat beaamt Redouan: hij is precies zestien. “Dan zal ik u beëdigen”, zegt de rechter. “Dat betekent dat u de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen. Doet u dat niet, dan pleegt u een misdrijf en kunt u problemen krijgen met justitie.” Met een glimlach stelt ze hem gerust. “Bent u gelovig?”, vraagt de rechter. “Ja”, zegt Redouan. “Dan ligt de eed voor de hand. Zegt u mij maar na en steek daarbij twee vingers in de lucht.” Redouan maakt een vredesteken, en zegt de rechter na. “Zo waarlijk helpe mij God almachtig.”

Redouan verklaart dat Rifaad zich losrukte en “uit angst” is weggerend. “We werden niet serieus genomen”, zo ervoer hij de behandeling op het bureau. Ook zegt hij dat ze de identiteitsnummers van de agenten hebben opgevraagd. Zo af en toe draait Redouan zich om naar Rifaad. Over zijn gescheld treedt hij liever niet in detail. “Op een gegeven moment zei mijn vriend iets.” De rechter wil het toch uit zijn mond horen. “Weet je wat hij zei?” Redouan lacht. De rechter besluit de gewraakte woorden dan maar zelf in herinnering te brengen. “Dat van die vinger is waar”, geeft Redouan toe. Maar de verwensing met ‘kanker’ is volgens hem niet geuit.

Overdrijven

Als Redouan de zaal heeft verlaten, wendt de rechter zich weer tot Rifaad. “U bent nooit eerder voor de rechter geweest”, weet ze. “Heeft u werk, een opleiding?” Nee, Rifaad is vorige maand zijn baantje als orderpikker kwijtgeraakt. “Dat heb ik twee maanden volgehouden, maar het was fysiek heel zwaar. Toen ben ik gestopt.” Nu wacht hij op een uitkering.

De officier van justitie krijgt het woord. Ze is niet onder de indruk van Rifaads kant van het verhaal. “Overdrijven is ook een vak. En alles ligt bij u altijd aan een ander. U had helemaal niet weg moeten rennen. Dit soort gedrag is niet nodig. Uw eigen aandeel in het verhaal wil helemaal niet tot u doordringen.” Van het openbaar ministerie had Rifaad eerder per post een transactie van 600 euro aangeboden gekregen. Nu eist de officier 720 euro. Voor belediging en weerspannigheid.

Laatste woord

Advocaat Van Bel houdt een betoog over identiteitscontroles. “De wet is niet bedoeld om iedereen zomaar naar een ID te vragen.” Er is volgens hem sprake geweest van “frustratie van beide kanten”. Belediging acht hij niet bewezen, alleen het wegrennen. Maar daar tekent hij wel bij aan dat Rifaad “drukpijn op het gezicht, een zwelling en schaafwondjes” heeft opgelopen.

De rechter geeft Rifaad het laatste woord. Of hij spijt heeft, wil ze weten. “Ja, nu zeker wel. Maar het was mijn fout niet”, antwoordt hij. Hij staat op om iets te pakken. “Terug! Ga zitten”, zegt zijn advocaat resoluut. Als de rechter het vonnis motiveert wordt ze herhaaldelijk onderbroken. “U mag niets meer zeggen. U had het laatste woord.” Rifaad wordt kribbig. “U gaat nu ook allemaal dingen zeggen.” De rechter brengt haar vingers naar haar lippen. “Ssst!” Ze vervolgt: “U moet zich proberen in te houden. U heeft dingen geroepen die u niet mag roepen tegen mensen.” Als de rechter een bedrag van 600 euro noemt, onderbreekt Rifaad haar weer. “Nee! Dat kan ik niet betalen.” De rechter blijft kalm en maakt weer een zwijggebaar. De advocaat zit op het puntje van zijn stoel. De rechter legt Rifaad een boete van 600 euro op, waarvan 300 euro voorwaardelijk.

Op de vraag of Rifaad in hoger beroep wil, antwoordt hij: “Daar kan ik twee weken over nadenken.” Boos loopt hij de zaal uit. Op de gang spreekt hij zijn verontwaardiging uit. “Het is allemaal één pot nat.”

Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening is strafbaar op basis van art. 180 wetboek van strafrecht. Belediging van een ambtenaar in functie is strafbaar op basis van art. 267 wetboek van strafrecht en art. 266.

Reageren? Nuanceren en argumenteren verplicht. Volledige naamsvermelding.

    • Steven de Jong