De vergeten joden van Litouwen

Er leeft na de Tweede Wereldoorlog nog slechts een handjevol joden in Litouwen. En die spreken nog hetzelfde Jiddisj als zestig jaar geleden.

Toen Dovid Katz (1956) in 1990 voor het eerst een bezoek bracht aan het net onafhankelijk geworden Litouwen, was hij op zoek naar het geboortehuis van zijn vader: de dichter Menke Katz. Dat had hij snel gevonden. Maar daar bleef het niet bij. „Ik wilde weten of er nog iets restte van het joodse leven in Litouwen”, vertelt hij.

Inmiddels is hij hoogleraar Jiddisj aan de Universiteit van Vilnius, de hoofdstad van Litouwen. Afgelopen weekend gaf de uit Brooklyn (New York) afkomstige taalkundige een lezing in Amsterdam, op uitnodiging van de Stichting Jiddisj.

Voor de oorlog telde Litouwen ruim 200.000 joodse inwoners. Slechts 6 procent van hen overleefde de oorlog. In de grote steden, Vilnius en Kaunas, woonden nog wel een paar duizend joden, maar in de voormalige sjtetls (joodse stadjes) was het rijke joodse leven voorgoed voorbij. Die worden nu bevolkt door gewone Litouwers. Katz: „Ik had me erop voorbereid dat ik daar geen jood meer zou aantreffen, maar hier en daar bleken er toch nog een of twee te wonen, vaak in behoeftige omstandigheden.”

Katz was begaan met het lot van deze ‘vergeten joden’. En als taalkundige was hij ook zeer geïnteresseerd in de taal die ze spraken: „Deze mensen hebben jarenlang in een niet-joodse omgeving gewoond. Ze hebben vaak al hun familie verloren en zijn met niet-joden getrouwd. Toen ik hen ontmoette, spraken ze voor het eerst sinds de oorlog weer Jiddisj, en dat klonk nog precies zo als zestig jaar geleden. Hun Jiddisj was veel ‘zuiverder’ dan dat van joden die geëmigreerd zijn naar Amerika. Die bleven aanvankelijk ook nog wel Jiddisj spreken, maar gaandeweg raakte het ‘vervuild’ met Engels.” Katz had hier dus een sociolinguïstische goudmijn aangeboord. Hij besloot geen tijd te verliezen en legde, eerst met een cassetterecorder en later met een camera, het oude, Litouwse Jiddisj vast.

Sinds 1992 gaat hij elke zomer op expeditie, ook in Letland, Estland, een deel van Wit-Rusland en Oekraïne. Hij besloot een dialectenatlas te maken om de samenhang tussen taal- en cultuurverschillen in kaart te brengen: Litvish, an Atlas of Northeastern Yiddish, noemt hij zijn project. Aanvankelijk deed hij dat naast zijn hoogleraarschap in Oxford, maar in 1998 richtte hij zelf, met buitenlands geld, een leerstoel Jiddisj op aan de universiteit van Vilnius.

Katz en zijn studenten vragen naar de uitspraak van woorden, maar ook naar de familie, de vriendenkring voor de oorlog, bekende kinderliedjes, opvattingen over allerlei onderwerpen.

Vooralsnog zijn de onderzoeksresultaten vooral beschrijvend. Op de kaarten, die hij op www.dovidkatz.net heeft gezet, zijn weliswaar al duidelijke taalpatronen te zien, maar er worden nog geen conclusies over eventuele samenhang met cultuurverschillen uit getrokken.

Dat is een volgende fase, aldus Katz. „We proberen nu nog zoveel mogelijk informanten te spreken, want over een paar jaar zijn ze allemaal dood.” Daar komt bij dat Katz de laatste tijd vooral in beslag wordt genomen door het verslechterende klimaat in Litouwen: „Een deel van de Litouwse elite wil sovjetmisdaden gelijkstellen met nazimisdaden en klaagt nu joodse overlevenden aan als oorlogsmisdadigers omdat ze meevochten met Russische partizanen. Schandalig. Ik ben daartegen in opstand gekomen, en het bestuur van het Jiddisj Instituut kon dat niet waarderen.”

Katz vreest dat hij zich zo onmogelijk heeft gemaakt bij het bestuur dat dit wel eens zijn laatste jaar kon zijn aan de universiteit van Vilnius. Maar daar is hij vrij laconiek onder. Het zou hem aan het hart gaan om uit Vilnius te moeten vertrekken, maar hij verwacht ook elders wel door te kunnen gaan met wat hem bezighoudt. „En ik heb een Brits paspoort en een huis in Wales. Wat niet gezegd kan worden van de laatste sprekers van het Jiddisj. We verraden hen terwijl we gebruik van hen maken.”

    • Hilde Pach