Beleid zo degelijk als een Mercedes

Met 50.000 zijn ze nog, maar de Duitse minderheid in Roemenië wordt alom bewonderd. Waar Duitsers besturen is orde, en daar komen investeerders op af.

Avrig ligt vredig aan de voet van de Karpaten. Het is een slaperig stadje, aan een zijtak van de drukke route tussen de Roemeense industriecentra Sibiu en Brasov. Hooguit een tussenstop op weg naar de kabelbaan en de besneeuwde bergtoppen in de verte. De lucht is kraakhelder, al jaren niet meer vervuild door de staatsfabriek voor gepantserd staal die werkloos buiten het centrum ligt.

Vrijwel niemand in Avrig kende Arnold Klingeis (31) toen hij zich anderhalf jaar geleden kandidaat stelde voor het burgemeesterschap. De ambitieuze zoon uit een ondernemersfamilie schudde tijdens de campagne veel handen voor het eerst, vertelt hij op het gemeentehuis. Klingeis, fors postuur en strak in het pak, had echter een geheim wapen waar zijn opponenten niet tegen op konden: hij is een Duitse Roemeen.

Duits is in Roemenië tegenwoordig een sterk merk. Ouders staan te dringen om hun kind naar een Duitstalig kinderdagverblijf of gymnasium te sturen. Waar vroeger de Duitse minderheid woonde is de administratie beter op orde en voelen investeerders zich aangetrokken.

„Het etnisch stereotype wil dat Roma slecht zijn. Hongaren – een veel grotere minderheid – hebben territoriale claims. Duitsers werken hard en zijn serieus, in tegenstelling tot wij Roemenen. Het is het clichéverschil tussen een Dacia en een Mercedes”, zegt hoogleraar politicologie Cristian Pirvulescu.

Duitse kolonisten werden vanaf de twaalfde eeuw gelokt om de noordelijke flanken van de Karpaten te ontwikkelen. Van de ongeveer 750.000 Duitsers die er voor de Tweede Wereldoorlog waren, is gedurende de twintigste eeuw 90 procent weer vertrokken. Verjaagd door communistische dictatuur, strafkampen en honger. In de jaren tachtig liet dictator Ceausescu Duitsland de Duitsers voor ongeveer 8.000 Duitse Mark per persoon vrijkopen. Na zijn dood vertrok de laatste grote golf. De minderheid is nu klein genoeg om bewondering in plaats van afgunst op te roepen.

Een Duitstalige Roemeen, Klaus Johannis, is namens een meerderheid in het parlement kandidaat voor het premierschap. Johannis heeft als burgemeester van Sibiu (vroeger: Hermannstadt) Duitse en Oostenrijkse investeerders naar de stad getrokken. Het middeleeuwse centrum heeft sinds zijn benoeming in 2000 een metamorfose ondergaan en oogt als een museum, vrij van zwerfvuil en bladderend stucwerk. Door zijn lobby was Sibiu in 2007 culturele hoofdstad van Europa. Als relatieve buitenstaander, geen parlementslid, niet van een grote partij, zou hij orde moeten brengen in de politieke chaos na de val van het vorige kabinet half oktober.

„Wij hebben de internationale contacten, kunnen op Europees niveau communiceren”, zegt Klingeis, net als Johannis lid van het Democratisch Forum van Duitsers in Roemenië, een belangenorganisatie, investeerdersclub en politieke partij ineen.

Klingeis blaakt van het zelfvertrouwen. Afgelopen jaar heeft het gemeentehuis al een vrolijk kleurtje gekregen en is een prestatiebeloning ingevoerd voor ambtenaren. Op tafel staat een maquette van het energiepark waardoor Avrig (Duitse naam: Freck), niet ver van Sibiu, de eerste ‘energieneutrale’ stad van Roemenië moet worden.

„Mensen verwachten dat ik hetzelfde doe als Johannis; ze van achteruit de rij naar voren halen”, legt hij uit terwijl hij de facturen ondertekent die medewerkers onder zijn neus houden. Daarvoor „moet je concurrentievoordeel creëren”, slogans en pr heb je nodig. Aan ideeën, rechtstreeks uit de managementboeken, geen gebrek. „Het is leuk om burgemeester te zijn. Er is hier zoveel te verbeteren.”

Van de eens grote Duitse minderheid zijn nog zo’n 50.000 mensen, meest ouderen, over. De familie Klingeis vertrok in 1990. De ouders van de burgemeester keerden in 2000 terug en staken hun spaargeld in een berghotel. Zelf kwam hij nadat hij in 2005 in Duitsland de hotelschool had afgerond. Ze zijn uitzonderingen. Alleen een enkele ‘zomersaks’ bezoekt als toerist nog zijn geboortegrond.

Tiberiu Laurentiu Buhna-Dariciuc, leraar Roemeens in de dorpsschool van Nitzkydorf, herinnert zich de veilingen van Duitse meubels, toen in de jaren tachtig de ene na de andere familie verdween. Bij vertrek moesten ze afstand doen van hun paspoort en werden gedwongen hun huis voor een habbekrats aan de overheid te verkopen. „Als ze nog huizen hadden waren er meer teruggekeerd”, denkt Hildegard Helmbeck, een achternicht van Nobelprijswinnares Herta Müller, de schrijfster die in 1987 Nitzkydorf verliet en van haar leven in armoede en onder de geheime dienst Securitate haar thema maakte. Iedere kans op terugkeer is nu verkeken. De grote waardering voor Duitsers in Roemenië verandert daar niets aan.

Bij het ophemelen van Duitsers lijkt voor Roemenen haast vanzelfsprekend een minderwaardigheidscomplex te horen. „Zij meten twee keer en snijden één keer, wij meten één keer en snijden twee keer,” zegt burgemeester Ioan Mascovescu van Nitzkydorf. Hij proeft dankzij de aandacht die er kwam na de Nobelprijs literatuur voor Müller momentum voor verbeteringen, voor EU-fondsen, voor toeristen. Strijdbaar: „Met of zonder Johannis als premier, ik ga Duitse managers inhuren voor de gemeente.”