Wat te zeggen?

Soms wil of durf je mensen niet goed tegen te spreken. Ze zijn ergens vol van en ze schreeuwen het bijna uit: „Jij zult het ook prachtig vinden!”

En ze noemen een boek dat je absoluut moet lezen, een film die je meteen moet gaan zien of een land waar je je volgende vakantie moet doorbrengen. Doe je dat allemaal niet, dan heb je iets onvervangbaars gemist en zul je verder een gedoemd leven leiden.

Het kan gebeuren dat je dat boek wel degelijk al gelezen had, de film gezien en het land bezocht. Het boek vond je doodsaai, bij de film viel je in slaap en het land was vergeven van de muggen en andere onaangename bewoners.

Wat te doen, of beter: wat te zeggen? Je kunt het over de eerlijke boeg gooien en zeggen: „Sorry, maar hoe kom daar je nou bij? Die man kan helemaal niet schrijven! Dat boek gaat echt nergens over. Het is allemaal koketterie en melodrama wat de klok slaat.”

Het boek ligt toevallig onder handbereik en je pakt het er even bij. Meegesleept door je weerzin begin je opgewonden de belachelijkste passages voor te lezen, en passant wijzend op enkele pijnlijke grammaticale slordigheden.

Je slaat het boek met een klap dicht. „En dat noemt zich schrijver!” roep je. En je kijkt de ander aan met die vernietigende het-valt-me-erg-van-je-tegen-dat-jij-dit-mooi-vindt-blik.

Dit is niet de verstandigste benadering. Er zijn nu eenmaal vormen van eerlijkheid die niet het langst duren. De ander zal zich beledigd afwenden en nooit meer een gesprek met je beginnen.

Maar wat dan? Doen alsof je het niet gelezen hebt? Weinig bevredigend. Meepraten dan maar? Roepen dat je het allemaal óók zo prachtig vindt? Het is in sociaal opzicht misschien de handigste oplossing, maar het kan tot vormen van zelfverloochening leiden waar je later van wakker ligt.

Bovendien kan oneerlijkheid je, zoals bekend, in de lastigste parketten brengen. Stel, ik noem dat boek van Kluun over die vrouw bij de dokter welgemeend een shitboek en de verfilming ervan een shitfilm. (Het is maar een voorbeeld, zeg ik er haastig bij, want ik kijk wel uit om al al die honderdduizenden lezers en bioscoopgangers voor het hoofd te stoten.)

Ik zeg dat tegen mevrouw X., die Kluun een geweldig integere schrijver vindt en zijn boek dagelijks herleest. Toevallig staat mevrouw Y. er ook bij. Met haar had ik eerder over Kluun gesproken, zij hield ook erg van hem, maar ik vond haar te aardig om haar tegen te spreken en bevestigde laf haar positieve oordeel. Ik ben die leugen inmiddels vergeten, maar zij zal roepen: „En je zei tegen mij…”

Dit zijn situaties waar zelfs de begaafdste leugenaars zich niet meer uit kunnen redden.

Nog moeilijker wordt het als een bewonderde persoon uit het publieke leven pas is overleden. De betrokkene wordt bewierookt en beweend en jij staat er een beetje verbaasd bij, want de dode heeft nooit veel voor je betekend. Ik heb dat nu met Ramses Shaffy. Het leek me een aardige, beste man, en het is verschrikkelijk als aardige, beste mannen sterven, daar niet van, maar ik moet bekennen dat zijn muziek mij nooit iets heeft gedaan. Ik heb dat ook wel eens geschreven. Liegen zou mij in dit geval dan ook niet helpen.

    • Frits Abrahams