Op het station

DSC01914In het station van het treurige industriestadje Syzran aan de Volga wachtte ik, na een bezoek aan de noodlijdende AvtoVazfabriek in Togliatti, op de nachttrein naar Moskou.  In de stalinistische wachtkamer brandde schaars licht, dat de twee schilderijen  aan de wand een romantische glans gaf. Op het ene schilderij hield Lenin een vlammend betoog, op het andere  stond een historisch tafereel uit de vroege tsarentijd. Op de bankjes om me heen zaten Russische staatsburgers uit alle windrichtingen, op weg naar huis of werk, of gewoon permanent residerend in de hal.

Achter me zaten vijf vrouwen met gouden gebitten. Ze waren druk met elkaar in gesprek in een taal die ik niet verstond. Toen ik gebeld werd door een Engelse vriend uit Moskou, vroegen ze me even later: ,,Wat voor een taal spreekt u?” Engels bleken ze nog nooit te hebben gehoord. Toen ik hun vroeg wat zij spraken, antwoordden ze vol trots: ,,Tataars.”

,,En waar komen jullie vandaan?” vroeg ik toen. ,,Uit Samara, waar we bij een bakkerij werken.”

In die bakkerij werkten ze zeven dagen vijftien uur achter elkaar, waarna ze zeven dagen vrij waren. ,,Voor die veertien dagen krijgen we maandelijks 4.000 roebel,” zei een van hen toen. ,,Maar we hebben geen keus, want bij ons op het dorp is helemaal geen werk.”

Ze waren nu op weg naar dat dorp, vierhonderd kilometer verderop, in de buurt van Penza, een halve dag reizen van Samara.

De vrouwen stonken naar oud zweet, een geur die je in Rusland buiten de grote steden nog vaak tegenkomt. Tijd om zich te wassen hadden ze niet, vertelden ze, zo moe waren ze van die vijftien uur noeste arbeid aan de ovens.

Nu zaten ze uitgeteld temidden van hun verzameling plastic tassen met vuile was en voedsel voor thuis. Maar klagen deden ze niet. Ze accepteerden het leven zoals het was en namen de buitenlander gastvrij in hun midden op, alsof ze hem al jaren kenden.