Kom maar , ik pak je ratita

Anne Hermans schrijft in een tweewekelijkse rubriek over haar belevenissen als vrijwillig tropenarts in Colombia.

‘Senora, deja tu marido….’ Ik draai me om, zoek naar een houding, waarbij ik met mijn vingers in mijn oren in slaap kan vallen. Maar de bas van onze buren - het bordeel ‘Ron y mujer’ (Rum en vrouwen)- dreunt alsnog dwars door mijn lichaam, in eindeloze herhaling van hetzelfde nummer: „Vrouw, verlaat je man, want hij kan je niet bevredigen! Vrouw verlaat je man…”

Deze maand ben ik overgeplaatst naar het andere medische team, twee dorpen verderop aan dezelfde rivier, om de Argentijnse arts Perla in te werken. Met mijn hoofd in mijn kussen, tel ik schapen die over hekjes springen, dan hoeren die over geluidsboxen springen, en tot slot de slagen van mijn hamer op diezelfde boxen.

„Een hóerenhuis!” klinkt plotseling vol walging uit het bed naast me. „Dat kan toch niet! Anna. Hoeren naast een humanitaire missie… Ik eis dat de politie… Wat denk je dat mijn familie…. Het móet gesloten worden, Anna. Hoor je me…Anna?”

Met moeite hou ik een lachbui binnen. Perla, dochter van een rijke notaris in Buenos Aires, is verwend, tuttig en vrijwel non-stop verontwaardigd. Daardoor roept ze bij mij met elke uitspraak onmiddellijk het ‘A-B-effect’ op: Wilde ik het hoerenhuis net nog aan gort slaan, nu kan ik niet anders dan het briljant vinden.

„Anna! Ik ben serieus,” snauwt Perla, „Wist je dat Pedro, je weet wel, die ons benzinehok bewaakt, ook nog vríenden met ze is? Imagina te, Anna, als wij op brigade zijn, laat hij ze onze badkamer gebruiken.” Verontwaardigd spuugt ze de woorden de donkere kamer in. „Ik vond laatst maandverband in het prullenbakje, Anna. Dat moet toch van íemand zijn?”

In het dorp zijn wij het enige huis met badkamer. De rest van de inwoners plast, poept en wast zich gewoon in de rivier. Ik schiet in de lach: „Kom nou, Perla. Misschien is het uitlenen van onze badkamer aan mededorpsgenoten wel zíjn humanitaire missie.”

„Dios mio, Anna!” Perla schreeuwt nu zelfs boven de boxen uit. „Weet je wel wát voor hoeren dat zijn. Hier?? Weet je hoeveel ziektes ze hebben? En dat zit op ónze wc. Ik eis vanaf morgen, dat de wc élke dag schoongemaakt wordt. Met chloor!”

Op dat moment gaat de muziek naast ons uit en valt pas op hoe hard het regent. In stilte luisteren we hoe het water op het golfplaten dak klettert. Hoewel, dat lijken wel…

„Anna, ik hoor ratten. Ze rennen over de balken boven ons hoofd”, zegt Perla verontrust. „Natuurlijk niet!” lach ik haar uit. Hoe banger Perla, hoe stoerder ik. Al ben ik als de dood voor ratten... „Ach, en al zijn het ratten,” roep ik overmoedig, terwijl ik geruisloos mijn muskietennet wat steviger onder mijn matras prop. „Die doen toch niks?”

Dan worden we opgeschrikt door een grote klap, net naast mijn hoofd. Perla knipt haar zaklamp aan. „Een rat! Anna, er is een rat naar beneden gevallen!” Ik trek het laken vacuüm over mijn hoofd. „Nee,” fluister ik. Zolang ik niet kijk, ís er geen rat. „Jawel” zegt Perla beslist. „Hij ligt hier op je tas, net naast je hoofdeinde, drijfnat van de regen, een beetje duizelig.”

Ik wil het niet weten, maar vraag toch: „Hoe groot?” „Centimeter of twintig, staart niet meegerekend... Kijk dan zelf!” Ik wil in actie komen, ik móet in actie komen, maar het laken blijft waar het is: over mijn hoofd. Ondertussen hoor ik hoe Perla haar bed uit stapt. „Kom, ratita, pak ik je bij je staartje en gooi je – zo slome, whoepie.. daar ga je…– uit het raam. Nou, welterusten, Anna.”

Ik doe mijn ogen dicht, probeer weer schapen te tellen, maar kom niet verder dan: 1-0 voor de whoepie-parel.