Hij viel samen met wat hij zong

De gisteren overleden Ramses Shaffy raasde roekeloos en vol flair langs de Nederlandse podia.

Maar hij had ook schulden en leed aan Korsakov.

Zanger en acteur Ramses Shaffy, gisterochtend op 76-jarige leeftijd in Amsterdam overleden, was nog maar een schim van wie hij ooit was. Als hij nog in het openbaar verscheen, oogde hij breekbaar en hulpbehoevend – een bejaarde man die zichzelf alleen maar overeind kon houden als hij op iemands arm kon leunen. Maar zijn grijns bleef levenslustig en zijn ogen twinkelden nog.

In de canon van het Nederlandse lied stond Ramses Shaffy op een ereplaats, zingend van levenslust en lijfsbehoud als geen ander. Tekst, muziek en zang waren onverbrekelijk één. Door de onvermoeibaar oplaaiende crescendo’s in de melodie en de allure van zijn voordracht wist hij zelfs de duisterste passages in ‘We zullen doorgaan’ („met de stootkracht van de milde kracht/ om door te gaan in een sprakeloze nacht...”) tot een overtuigende ode aan het leven en de liefde te maken. Shaffy viel samen met wat hij zong; hij was de grote gangmaker die het stugge Nederland kon bewegen tot extatisch meezingen.

Naam en afkomst van Ramses Shaffy lijken te mooi om waar te zijn. Maar het klopt: hij was werkelijk de zoon van een Egyptische diplomaat en een Pools-Russische gravin die al uit elkaar waren voordat hij in 1933 werd geboren in een ziekenhuis onder de rook van Parijs. Toen hij zes was, zette zijn moeder hem op de trein naar Nederland om anderen voor hem te laten zorgen. „Je staat voor mij nog steeds/ Op een wegstervend perron/ Omdat God ons gebedje niet verhoorde”, zong hij vele jaren later in het autobiografische ‘De trein naar het noorden’. Hij werd opgevangen door een tante, kwam daarna in een kindertehuis terecht, en werd geadopteerd door een liefhebbend, artistiek ingesteld echtpaar in Leiden.

Na een jaar op de Kunstnijverheidsschool in Amsterdam (de huidige Rietveld Academie) stapte Ramses Shaffy in 1952 over naar de Toneelschool. De feesten wonnen het van de lessen. Legendarisch waren zijn excuses als hij weer eens te laat op school kwam: „Er vloog een duif in m’n oog.” Drie jaar later studeerde hij af, maar hij kreeg geen diploma wegens het veronachtzamen van de theoretische studiestof. Met gejuich werd de 22-jarige acteur binnengehaald bij de Nederlandse Comedie, waar hij meteen grote rollen te spelen kreeg als romantische jonge minnaar of sensitieve jongeling.

Maar Ramses Shaffy was ook wispelturig en brak voortdurend uit het keurslijf van het grote toneelgezelschap. In 1960 woonde hij samen met zijn vriend Joop Admiraal een jaar lang in Rome om daar – vergeefs – naar werk te zoeken. Toen de Nederlandse Comedie hem in 1963 ontsloeg wegens wangedrag (te laat komen, dronkenschap, uit de rol vallen) kwam dat hem eigenlijk wel goed uit. Shaffy wilde een nieuw soort theateramusement beginnen, met jazz, poëzie, zotternij en lyriek. Met enkele gelijkgestemden, onder wie de beginnende Liesbeth List, fotomodel Loes Hamel en pianist Polo de Haas, richtte hij de groep Shaffy Chantant op, als romantische tegenhanger van het meestal veel concretere Nederlandse cabaret. De tekstloze ‘Shaffy Cantate’ („lala-lala-lála”) werd de onweerstaanbare jubelzang van een nieuwe theatergeneratie.

Sindsdien was Ramses Shaffy het jonge, mooie middelpunt van de Amsterdamse beau monde en de populairste bohémien van Nederland. Liedjes als ‘Sammy’ en ‘’t Is stil in Amsterdam’ werden hits, maar door zijn onbegrensde zorgeloosheid verdween het geld altijd weer pijlsnel uit zijn zakken. Zijn lijflied werd, wonderlijk genoeg, het enige nummer dat hij niet zelf schreef: ‘Laat me’. De tekst van Herman Pieter de Boer, op muziek van een Frans chanson, tekende zijn portret ontroerend exact: „Ik ben misschien te laat geboren/ of in een land met ander licht...”

In latere jaren speelde Shaffy soms nog een toneelrol. Beeldschoon van broosheid was zijn Don Quichotte in de musical De man van La Mancha, in 1994 bij het Koninklijk Ballet van Vlaanderen, met het hem prachtig passende lied ‘Droom de onmogelijke droom’. Toch bleek hij uiteindelijk ook een alcoholist te zijn die zelf het grootste slachtoffer werd van zijn onmatigheid. Aangetast door Korsakov belandde Shaffy een jaar of acht geleden in een verzorgingstehuis, waar hij op sterven leek te liggen. Maar hij krabbelde weer op, hield zich staande toen Pieter Fleury hem kwam filmen voor de documentaire Ramses en verklaarde manhaftig dat hij zo snel mogelijk weer naar een eigen woning zou gaan. Dat is er echter niet meer van gekomen; hij bleef vrijwillig onder curatele, maar vormde nog vaak een stralend middelpunt van alle huldigingen – ook toen de slokdarmkanker hem al had getroffen.

„Ik zal ook wel een keertje sterven”, zong hij in Laat me, „daar kom ik echt niet onderuit/ ik laat mijn liedjes dan maar zwerven/ en verder zoek je het maar uit.”

Shaffy wordt volgende week dinsdag in besloten kring begraven.

    • Henk van Gelder