Geloof op z'n Indisch

Na de dood van pa is het huis dagenlang vol indo’s. „Ik ga hem oproepen”, zegt Jos. „Dat mag pas na de veertigste dag”, reageert mijn vaders tweede vrouw geïrriteerd. Jos later tegen mij: „Ik ga het gewoon doen. Je vader zegt wel of hij wil of niet.”

Bij het hiernamaals ligt de nadruk op ‘hier’. Contact zoeken met doden is gewoon. In de dromen van mijn moeder leeft mijn vader nog steeds. Zij heeft als buurtwaarzegster ook lange tijd kaart gelegd. Ook mijn oma had een naam op dat gebied.

Verborgen achter de stoel waar mijn speelplek is, luister ik naar het omdraaien van kaarten en zinnen als: ‘ik zie een man die in je leven komt’, ‘een lange reis’ en ‘veel geld’. Om de zoveel tijd gaat mijn moeder naar andere waarzeggers. De kaarten zeggen haar steeds wat anders over haar eigen leven. Van geloof, hoop en vertrouwen leeft vooral de hoop. Van geloof in Nederland wordt weinig begrepen. Van religie überhaupt niet zo veel.

Wanneer mijn vader mijn geboorte gaat aangeven bij de burgerlijke stand in Batavia komt hij onderweg een pastoor tegen. Twee borrels later ben ik tot lichte ergernis van mijn moeder – „Dat had hij toch wel even kunnen voorleggen” – katholiek gedoopt.

Na onze repatriëring ben ik de enige katholieke leerling op een christelijke lagere school. Ik leer ‘het hijgend hert der jacht ontkomen’, maar ga nooit naar de kerk. Dat rooms van Rome komt en protestant verwijst naar protesteren, leer ik pas veel later.

Niet dat er helemaal geen geloof bestaat thuis. Er is ‘iets’ en voor dat iets moet je op je hoede zijn. Het zit in klewangs en krissen en paraplu’s die in huis niet geopend mogen worden en zout dat voor een drempel gestrooid wordt om mensen weg te krijgen.

Als geloof tot inzicht leidt, is het door een uitbrander van mijn favoriete tante Dé. Ik heb een buurjongen nagejouwd die met zijn bijbeltje achterop zijn fiets naar de kerk gaat. „Hij is een grote hypocriet en achterbaks”, verdedig ik me. Maar iemand uitlachen om zijn geloof, dat mag dus echt niet.

Dat gebeurde in Indië al helemaal nooit. Al was geloof in Indië niet echt een issue, begrijp ik uit de verhalen van mijn vader. Zijn uitgangspunt is: „Bij christenen ben je christen, bij moslims een moslim.” Na het eten laat hij altijd wat rijst op zijn bord liggen. „Voor de goden.” Niet omdat hij daar per se in gelooft, meer voor de zekerheid. Je weet tenslotte maar nooit.

    • Hans Moll