Een brief uit de trein onderweg naar Sobibor

„Dag schat”, schreef een moeder aan haar zoon in de hoop hem snel weer te zien. Maar ze werd vermoord in Sobibor, getuigde gisteren medeaanklager Cortissos.

Het was de dag van de emoties op het proces tegen John ‘Iwan’ Demjanjuk (89), de man die van medeplichtigheid aan moord op 27.900 joden in het Duitse vernietigingskamp Sobibor wordt beschuldigd. Nederlandse medeaanklagers komen in hun rol als getuigen aan het woord. Dat leidt tot confronterende vragen, schokkende antwoorden, doodse stiltes, tranen.

Medeaanklager Mary Richheimer-Leyden van Amstel (70) moet naar voren komen om te getuigen. Ze legt haar verklaring onder ede in het Nederlands af. Mijn ouders, zegt ze met heldere stem, zijn in Sobibor omgebracht. „Dat waren Louis Leyden van Amstel, geboren op 12 juli 1910 en vergast op 9 juli 1943, en Esther Leyden van Amstel-Worms, geboren op 21 augustus 1902 en vergast op dezelfde dag als mijn vader. Ik ben als tweeënhalfjarige ondergedoken en heb pas na de oorlog begrepen dat mijn ouders dood waren. Dat kwam omdat ik niet werd opgehaald op het adres waar ik was ondergebracht. Familieleden heb ik niet meer, die zijn allemaal in Sobibor vermoord: mijn opa en oma, mijn tante Rebecca en m’n nichten Marianne en Heintje. Ik heb aan geen van hen herinnering. Ze woonden in Amsterdam.”

Rechter Ralph Alt en ook de advocaat van Demjanjuk stellen veel gedetailleerde vragen. Een van de medeaanklagers, Paul Hellmann, zegt later dat hem dat verrast. „We hebben aanvankelijk te horen gekregen dat we maar een paar vragen konden verwachten. Maar dit gaat veel verder en dieper.”

Waartoe dat kan leiden, toont het verhoor van medeaanklager Rudie Cortissos (70). Ook hij moet van de rechter vertellen wie hij in Sobibor heeft verloren. „Mijn moeder”, zegt Cortissos in het Duits. Na nog enkele vragen haalt hij een vergeelde brief uit zijn binnenzak en toont die aan de rechter. „Dit is een brief die mijn moeder aan mijn vader en mij schreef. We waren op twee verschillende plekken ondergedoken. Het is haar laatste brief”, zegt hij met verstikte stem en barst in snikken uit.

Cortissos’ moeder schrijft met potlood in de op 17 mei 1943 gedateerde brief dat ze met 2.500 mensen in de trein richting oosten snelt. „Het is maandagavond en ik ga op de trein”. Ze weet zeker dat ze zal overleven en is berustend over haar deportatie. Daar is nu niets meer aan te doen. Ze sluit af met: „Ik hoop je gauw te zien. Vele kussen. Dag schat”.

De brief is geadresseerd aan Greetje Knuyt, Parnassusweg 14 in Amsterdam. Rudie Cortissos’ moeder heeft hem uit de trein van Westerbork naar Sobibor geworpen, in de hoop dat de brief zou worden gevonden. Enkele dagen later komt hij op de plek van bestemming aan, en nog weer wat later bij de vader van Cortissos.

Rudie Cortissos wordt na zijn verhaal geëmotioneerd en ondersteund door een gerechtsdienaar weggevoerd uit de rechtszaal. Het is muisstil. John Demjanjuk ligt roerloos op z’n rechterzij op een rijdbare brancard. Een tolk vertaalt voor hem Cortissos’ verhaal. Demjanjuk heeft net als gisteren een leren jack aan en een blauwe honkbalpet op. Die houdt hij met z’n linkerhand vast, alsof het in de zaal opeens is gaan waaien.

Na Cortissos worden de medeaanklagers en getuigen Martin Haas en David van Huiden gehoord. De moeder van Haas is in Sobibor vermoord, zijn vader in Auschwitz. Hij is na de oorlog naar de VS geëmigreerd en heeft pas tien jaar geleden de details over het lot van zijn ouders vernomen. „We wilden het niet weten. We leefden voor de toekomst – en dat was goed”, zegt hij.

Van Huiden (78), wiens stiefvader Maurits en moeder Rosa in Sobibor zijn vergast, evenals zijn zus Josefien, doet in het Duits verslag van wat volgens hem „de grote leugen” van de Tweede Wereldoorlog is geweest: „Dat onze ouders en familie zouden terugkomen. Ze gingen naar het oosten om te werken. Dat was gelogen. Ik ben er tot na de oorlog vast van overtuigd geweest dat mijn vader, moeder en zus zouden weerkeren”.

De waarheid was grimmiger. Van Huidens ouders en zus moesten, zoals hij zelf met bijtend sarcasme zegt, gebruik maken van „de perfecte door-to-doorservice van de nazi’s. Van ons huisadres via Westerbork met de trein naar de gaskamers van Sobibor”. Van Huiden is ook degene die de dag treffend samenvat: „Dit is voor mij niet het proces-Demjanjuk. Wat interesseert mij die oude man nog? Dit is voor mij het proces-Sobibor. Hier kunnen we vertellen over wat daarginds met onze familieleden is gebeurd”.

Demjanjuk begint zich te bewegen en zegt iets tegen een arts. Die verklaart tegen de rechter dat het met „Herr Demjanjuk” niet zo goed gaat. De zitting wordt geschorst.

Vier vragen over proces en video op nrc.nl/buitenland

    • Joost van der Vaart