Dat wij er zijn is geen toeval

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: derde misvatting over Darwins evolutietheorie.

Dat de evolutietheorie niet is te rijmen met de Bijbel, valt moeilijk te ontkennen. Het idee dat planten, dieren en mensen in enkele dagen zijn geschapen door een God staat haaks op de stelling van Charles Darwin dat de verschillende levensvormen zich gradueel, over een periode van honderden miljoenen jaren, hebben ontwikkeld. De evolutietheorie ontkracht het bestaan van een God echter niet: het is slechts een verklaring voor het ontstaan van soorten, niet van het leven of de aarde zelf.

Toch zien veel religieuze mensen de evolutietheorie als een grote bedreiging voor hun geloof. In zekere zin is dat terecht. Hoewel evolutie het bestaan van een hogere macht niet weerlegt, biedt ze ook geen enkel aanknopingspunt dat erop wijst dat God wél zou bestaan. De evolutietheorie falsificeert immers het scheppingsverhaal en laat bovendien zien dat de aarde vele malen ouder is dan op grond van de ‘openbaring’ zou kunnen worden vastgesteld.

Dat is echter niet de enige reden waarom gelovigen te hoop lopen tegen Darwins theorie. Hun weerzin komt ook voort uit het idee dat evolutie het leven ‘zinloos’ of ‘doelloos’ zou maken. Als er geen schepper is die, met een bepaald plan in gedachten, de wereld en zijn bewoners heeft gecreëerd, waartoe zijn wij dan op aarde? Zonder schepper geen zingeving, luidt hun redenatie: evolutie betekent immers dat mensen er net zo goed niet hadden kunnen zijn.

Aan deze gedachtegang ligt een fundamentele misvatting ten grondslag, namelijk dat evolutie zou berusten op toeval. Dat misverstand is begrijpelijk. Toeval speelt namelijk wel een rol in het proces dat evolutie heet. Maar Darwins verklaring voor dat proces – natuurlijke selectie – staat juist haaks op toeval. Wie zegt dat evolutie een reeks van toevalligheden is, begrijpt Darwins belangrijkste stelling dan ook precies verkeerd.

Natuurlijke selectie betekent, kort samengevat, dat erfelijke eigenschappen die de overlevingskans van een organisme vergroten steeds vaker voorkomen binnen de populatie waartoe hij behoort. Zo ontstaan er organismen die steeds beter aangepast zijn aan de omgeving waarin zij zich bevinden. Zwakke levensvormen verdwijnen en alleen de sterkere exemplaren planten zich voort. Dit selectiemechanisme is volgens Darwin dé drijvende kracht achter het evolutionaire proces. Het verklaart, met één simpel principe, hoe er verschillende en steeds complexere wezens zijn ontstaan.

Toeval speelt hierin slechts een marginale rol. Variaties in genetische eigenschappen ontstaan weliswaar min of meer willekeurig – afhankelijk van onder andere omgevingsfactoren die voortdurend veranderen. Maar welke eigenschappen van generatie op generatie worden overgedragen is géén kwestie van toeval. Het is juist het omgekeerde: alleen de eigenschappen die het organisme beter in staat stellen te overleven, blijven bewaard.

Dit proces van natuurlijke selectie is niet waterdicht. Het is niet zo dat er uiteindelijk alleen maar ‘perfecte’ exemplaren overblijven, of dat evolutie zal leiden tot een onsterfelijke levensvorm. Dan zou de evolutie immers, als het ware, tot een einde komen. Nee, er ontstaan steeds verschillende soorten, waarvan in de loop der tijd ook weer vele verdwijnen. Het zou best kunnen dat de mens, zoals de dinosaurus, er straks niet meer is – bijvoorbeeld omdat het klimaat te warm of te koud voor ons is geworden.

Bovendien is evolutie geen lineair proces. Creationisten stellen vaak de vraag: „Als mensen van apen afstammen, hoe kan het dan dat er, naast mensen, ook nog steeds apen zijn?” Aan deze vraag ligt het misverstand ten grondslag dat evolutie zich in een rechte lijn voltrekt. Dat is niet het geval. De mens is niet uit een aap ‘voortgekomen’ en de mens heeft de aap evenmin ‘vervangen’. Mensen en apen hebben slechts een gemeenschappelijke voorouder, wiens stamboom in verschillende vertakkingen uiteen is gegroeid. Sommige vertakkingen zijn uitgemond in andere apensoorten – en één van die vertakkingen is geëvolueerd tot de mens.

Het Bijbelse idee dat de mens de ‘ultieme’ levensvorm is, geschapen in het evenbeeld van God, is dan ook onverenigbaar met evolutie. In de Darwinistische opvatting van de natuur bestaat er geen ultieme levensvorm. Juist dat gegeven vatten creationisten op als een teken dat de evolutie doelloos is: het gaat nergens héén, zo luidt de gedachte. Er ontstaan immers wel allerlei levensvormen, maar welke dat zijn, staat niet van tevoren vast. Hieruit concluderen zij dat de mens er evengoed niet had kunnen zijn – de evolutie had heel anders kunnen verlopen. Dat vinden creationisten moeilijk te verteren: het maakt ons bestaan triviaal, stellen zij.

Het probleem is hier echter dat er twee betekenissen van ‘doelloos’ door elkaar lopen: een morele en een biologische betekenis. In de biologische zin van het woord is evolutie helemaal niet doelloos. Integendeel, het geeft juist aan dat levende wezens als doel hebben te overleven. In evolutionaire termen is het doel van het leven dus: het leven zélf. Of althans, de voortzetting ervan.

Het is dan ook niet correct om te stellen dat mensen er ‘net zo goed’ niet hadden kunnen zijn. Inderdaad, als er honderd miljoen jaar geleden een meteoriet op aarde was ingeslagen waardoor alle apen waren uitgestorven, dan had de evolutie waarschijnlijk anders uitgepakt. Misschien waren er dan geen mensen geweest, of in ieder geval niet het ‘soort’ mensen dat wij nu kennen. Maar dat maakt het feit dat wij er nu wél zijn nog geen toevalligheid. Wij zijn het noodzakelijke gevolg van de natuurlijke selectie zoals die heeft plaatsgevonden.

Anders gezegd, evolutie kent weliswaar geen eindstation, maar het spoor dat zij volgt is geen kwestie van willekeur. Vergelijk het maar met roulette. Wélk getal valt is een kwestie van kans, omdat talloze ‘omgevingsfactoren’ het balletje beïnvloeden. Maar dát een bepaald getal valt, is geen toeval: het is een logisch gevolg van de weg die het balletje heeft afgelegd.

De bewering dat het balletje ‘net zo goed’ op een ander getal had kunnen landen, is dus onjuist. Als je alle relevante factoren zou kunnen meten (wat niet kan), had je precies kunnen voorspellen waar het balletje tot stilstand was gekomen. Creationisten stellen ‘toeval’ dus gelijk aan ‘onbedoeld’ of ‘zonder intentie’. Dat is niet wat een wetenschapper ermee bedoelt.

De morele dimensie ligt daarentegen ingewikkelder. Het klopt namelijk dat de evolutietheorie geen ethische theorie is: ze schrijft niet voor hoe we ons moeten gedragen of waartoe het leven moet leiden – en is in die zin dus ‘moraalloos’. Maar deze constatering is vergelijkbaar met het verwijt dat evolutie niet verklaart hoe het leven is begonnen – dat pretendeert Darwins theorie ook niet.

Hoogstens zou je kunnen stellen dat de evolutietheorie verklaart waarom we ons gedragen zoals we doen, maar ook dat moet niet te ruim worden genomen. Dat mensen vreemdgaan bijvoorbeeld, zou kunnen worden gezien als iets evolutionairs. Het vergroot de overlevingskans immers als iemand meerdere partners heeft. Maar dat wil niet zeggen dat de evolutietheorie voorschrijft dat je moet vreemdgaan – of dat ze het onmogelijk maakt om het af te keuren.

De vrees van creationisten dat de evolutietheorie immoreel gedrag aanmoedigt of goedpraat, uit naam van de survival of the fittest, is dan ook ongegrond. Sterker nog, er zijn zelfs theorieën die stellen dat onze meest basale morele intuïties evolutionair van aard zijn. Zo kan bijvoorbeeld samenwerking met anderen en trouw zijn aan een groep in termen van overlevingskansen aanzienlijk voordeel opleveren – en biologen hebben bij talloze dieren ‘moreel’ gedrag waargenomen, zoals het bestraffen van diefstal en bedrog.

Creationisten blijven echter van mening dat moraliteit een God veronderstelt: als er geen hogere macht is die ons op ons gedrag beoordeelt, zijn we immers aan niemand verantwoording schuldig en zouden we dus kunnen doen wat we willen. Dat is een tamelijk beperkte kijk op moraliteit. Het zou immers betekenen dat mensen zich alleen goed gedragen, omdat een God ze in de gaten houdt. Of, zoals de Duitse denker Friedrich Nietzsche (1844-1900) het formuleerde: „Jullie geloven in de noodzaak van religie? Wees eerlijk! Jullie geloven alleen in de noodzaak van politie.”

Gelukkig kennen de meeste mensen hele andere drijfveren om goed voor anderen te zijn, zoals altruïsme, compassie en empathie. Dat heeft ons, in termen van evolutie, dan ook zo succesvol gemaakt. We komen voortdurend voor elkaar op. En wie dat beschouwt als puur toeval, doet niet alleen Darwin, maar ook de mensheid ernstig tekort.

    • Rob Wijnberg