Bijles leraar in de kleuterwiskunde

Laten Nederlandse leraren zich wel voldoende bijscholen, zo was onlangs de vraag.

Nieuw onderzoek toont aan dat in andere EU-landen vaak meer wordt bijgeschoold.

Op de eerste verdieping van de Katholieke Basisschool Kievitsloop kijken 26 onderwijzers (25 vrouwen, één man) naar Julie Menne. De leerkrachten, afkomstig van drie scholen uit de omgeving, laten zich bijscholen in het onderwijzen in het rekenen tot honderd.

De onderwijzers in de schoolbankjes weten wel waarom ze vanavond wind en regen hebben getrotseerd. Ze willen de leerlingen die afhaken bij het rekenen – de ‘wazige ogen’ – beter kunnen begeleiden. Hoe? Juffrouw Mieke bekent: „Ik had zelf moeite met rekenen, vroeger. Nu heb ik een leerling met dyscalculie. Ik krijg het soms niet uitgelegd.”

Dyscalculie – een rekenstoornis – is „hip, hype, hot”, zegt trainer Menne meteen. „Maar er is nog geen protocol.” In 2001 promoveerde Menne op een nieuw soort rekenonderwijs. Nu toert haar bedrijf langs scholen om die ‘speelse’ manier van rekenen bij te brengen aan leerkrachten in den lande. Menne Instituut heeft twaalf trainers die de methode ‘Met sprongen vooruit’ uitleggen. Ze geven ook wel bijscholing in ‘kleuterwiskunde’, voor de groepen 1 en 2, maar ditmaal zijn groep 3 en 4 het object. Vandaag staat de naamgever er zelf, met haar zus Leone. „Voor in de map zit een blad dat u kunt vouwen tot een naambordje. Dan heeft u meteen een meetkundige activiteit.”

Een onderwijzer beklaagt zich over het beschikbare lesmateriaal voor haar groep. Juf Jeannette: „Ieder jaar weer vraag ik me af of het fundament wel voldoende is dat ik leg met Pluspunt. Ik vind het zo hapsnap, het zwabbert alle kanten op.”

Een vorige maand gepubliceerd rapport van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, waaruit blijkt dat de bezorgdheid over de rekenvaardigheid van kinderen terecht is, was voor de staatssecretarissen van Onderwijs Dijksma (PvdA) en Van Bijsterveldt (CDA) aanleiding om maatregelen aan te kondigen. Het rekenonderwijs moet beter. Daarom moeten leraren deskundiger worden.

Laten Nederlandse leraren zich wel voldoende bijscholen, vroeg Dijksma zich hardop af bij de presentatie van het rapport. Schoolbesturen zijn in Nederland zelf verantwoordelijk voor de bij- en nascholing van hun leraren. Maar nascholing is niet verplicht.

Het ministerie van Onderwijs laat momenteel onderzoeken of scholen hun budget „voldoende” inzetten voor taal en rekenen. Basisscholen die „serieus” aan de slag zijn met het bevorderen van taal- en rekendeskundigheid kunnen mogelijk een certificaat krijgen.

Gemiddeld besteden Nederlandse leraren in de onderbouw van het voortgezet onderwijs 13,5 dagen per jaar aan nascholing. Dat is bijna twee dagen minder dan in overige onderzochte landen, blijkt uit cijfers in het vorige week gepresenteerde verslag Teachers’ Professional Development: Europe in international comparison. Het verslag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Europese Commissie biedt voor het eerst internationaal vergelijkbare gegevens over de professionele ontwikkeling van leraren. Ruim de helft van de onderzochte leraren gaf aan meer nascholing te willen dan ze tot dan toe ontvingen.

Professionele ontwikkeling vinden ze een vast onderdeel van het leraarbestaan. Het rooster laat de mogelijkheid tot bijscholing alleen niet altijd toe. De onderwijzers in Breda moeten ook vier avonden opgeven om nascholing te krijgen.

Eén van de aanbevelingen is dat het voor scholen nuttig zou zijn om de professionele ontwikkeling van leraren in het takenpakket op te nemen.

Ondertussen in Breda worden de leerkrachten enthousiast van de oefeningen die Menne in hoog tempo opgeeft. „Het gaat over basale vaardigheden, de fundamenten onder optellen en aftrekken.” Later geeft ze een ‘tikspel’ om te leren tellen: „Het is goed om akoestisch te oefenen, stappen door de klas helpt daarbij. Je moet de nadreun niet verstoren.”

De leraren vertrekken met hun cursusmap de avond in. De komende week moeten ze oefenen, drie keer een kwartier. „Desnoods met de buurkinderen.”

    • Marieke van Twillert