Pas op z'n gemak na 50 doden

Van de gamende jeugd is 3 procent verslaafd. Evenveel als jeugd met ’n drankprobleem.

Vanaf deze maand is er een ‘officiële’ behandelmethode.

„Om het naar mijn zin te hebben, moest ik vijftig tegenstanders afmaken en zelf niet doodgaan.” Tijdenlang speelde hij twaalf uur per etmaal computergames. Hij poetste zijn tanden niet, stelde douchen uit, nam de telefoon niet op en vergat vaak te eten. Op zijn veertiende raakte hij verslaafd. Nu is hij 21.

Hij is te vroeg voor de afspraak in een grand café in Tilburg. Hij heeft een flesje cola besteld. Zijn blond golvend haar is verzorgd achterover gekamd. Zijn grote blauwe ogen maken contact. „Een nerd”, noemt hij zichzelf. Het is hem niet aan te zien.

Hij wil anoniem blijven, zegt hij, nadat hij is meegelopen en achteraf aan een tafeltje zit. „Ik wil vertellen dat ik verslaafd ben. Dat ik professionele hulp nodig heb. Ik wil niet dat iedereen meteen weet wie ik ben.”

Novadic-Kentron, in Vught bij Den Bosch, was tien jaar geleden de eerste publieke verslavingszorginstelling in Nederland die aandacht besteedde aan gameverslaving. Nu stelt de instelling een officiële behandelmethode op voor gameverslaafden. Veertien artsen, psychologen, wetenschappers en orthopedagogen werken er vanaf augustus aan. Deze maand moet hij klaar zijn. De Universiteit van Nijmegen gaat meten hoe effectief hij is. De 21-jarige gameverslaafde is één van de vier mensen die de afgelopen drie maanden volgens de methode-in-ontwikkeling is behandeld.

Twintigduizend jongeren in Nederland zijn verslaafd aan games. Honderdduizend jongeren vertonen tekenen van verslaving, blijkt uit onderzoek van Jeroen Lemmens van de Universiteit van Amsterdam. Hij ondervroeg 1.024 jongeren tussen de twaalf en zeventien en promoveert volgend jaar op onderzoek naar gameverslaving. Hij vermoedt dat het aantal verslaafden zal toenemen.

„Ik werd gepest op de basisschool en de middelbare school”, vertelt de gameverslaafde. „‘Wat ben je lelijk’, heb ik zo vaak gehoord dat ik het ging geloven. In 4-vwo begon ik met gamen. Ik isoleerde mezelf. In het begin brachten computerspellen me in een roes. Later werd spelen een gewoonte en was het niet meer leuk. Toen was ik verslaafd. Het heeft lang geduurd voordat ik dat toe wilde geven.”

De laatste middelbareschooljaren was de sfeer bij hem thuis om te snijden. „Dagelijks had ik ruzie met mijn ouders, mijn zus, mijn broer. Mijn vader herhaalde steeds dat het niet kon dat ik niets uitvoerde. Mijn moeder deed de computerkamer op slot. Mijn broer en zus schaamden zich. Ik manipuleerde en was chagrijnig.” Nadat hij in de vijfde was blijven zitten, haalde hij zijn vwo-diploma. Toen ging hij op kamers in Tilburg en studeren aan de universiteit. Een keerpunt, zegt hij zelf.

„Op kamers kon ik gamen zo veel ik wilde. Na driekwart jaar stopte ik met mijn opleiding. Ik had geen studiepunt gehaald. Maar mijn poppetje in het onlinecomputerspel Prisontale werd steeds sterker. Soms zat ik tot zeven uur ’s ochtends achter de computer.” Drie opleidingen begon hij en staakte hij weer. Bij baantjes kwam hij te laat of helemaal niet. Een enorme studieschuld bouwde hij op. „Het viel niet meer te ontkennen. Ik ben een vent en toch kan ik het niet alleen. Voor de eerste keer in mijn leven ben ik hulp gaan zoeken.”

Martin Reddemann van de Noord-Brabantse verslavingszorginstelling Novadic-Kentron: „Officieel is langdurig overmatig gamen geen verslaving, omdat je geen middel inneemt. Toch kloppen mensen met gameproblemen steeds vaker bij ons aan.” Van de jongeren die gamen heeft 3 procent een serieus probleem met computerspellen. Eenzelfde deel van de jeugd heeft een ernstig alcoholprobleem. Reddemann: „Voor ons voldoende reden om een gespecialiseerd behandelaanbod op te zetten.”

Acht behandelingen heeft de 21-jarige gameverslaafde uit Tilburg er inmiddels opzitten. Hij mindert het gamen. „Dat kost moeite. Soms denk ik constant aan een spel en laat ik me verleiden het te gaan spelen. Ik moet me leren beheersen. Hoe beter het me lukt om een normaal leven op te bouwen, hoe meer ik het naar mijn zin heb en hoe minder ik achter de computer zit.” Hij heeft nu al een tijdje een baan in een magazijn. En hij wil weer gaan zwemmen. „Maar dat lukt nog niet erg. Ik ken niemand. Niemand praat met me.”

Zijn cola is op. Hij wil geen tweede drankje. Hij wordt onrustig. „Mijn verslaving gaat nooit over. Ik hoop het over drie jaar onder controle te hebben.” Hij staat op. Hij moet gaan. Nee, tegen dit gesprek zag hij niet op, ook al is hij verlegen. „Ik heb vanochtend ook expres niet gegamed. Als ik lang heb gegamed ben ik afwezig en zijn mijn ogen wazig.”

    • Esther Wittenberg