Nationalisme is een na-ijverige God

In een sombere bui vraag ik me wel eens af of het nationalisme onuitroeibaar is, of het niet bij de mensen is ‘ingeschapen’. Er kan zich geen door mensen veroorzaakte ramp voordoen, of er blijkt een vorm van nationalisme in het spel te zijn, dat schijnt onvermijdelijk. Na de aanslag op de spoorweg tussen Moskou en Sint-Petersburg was de vraag of hier nationalisten (Tsjetsjenen) dan wel ultranationalisten (Russen) aan de gang waren geweest. Van welk etiket terroristen en elkaar bestrijdende takken van geheime diensten zich ook bedienen, er staat altijd ‘nationalisme’ op. Of ultranationalisme. Is er in de moderne geschiedenis een voorbeeld te vinden van een nationalisme dat niet is uitgemond in massamoord?

„De liefde tot zijn land/ is elkeen aangeboren”, dichtte Vondel. Maar op aanhankelijkheid aan de natiestaat kan dat niet duiden, aangezien het ontstaan daarvan pas veel later zijn beslag kreeg. Nationalisme kán geen genetische aandoening van de mens zijn. Het behoort niet tot de menselijke natuur, het kreeg pas concreet vorm in de natiestaten van de negentiende eeuw.

In zijn boek over het historische falen van de Duitse sociaal-democratie schreef de Nederlandse socioloog J.A.A. van Doorn dat de socialisten met hun universele denkbeelden geen aansluiting konden vinden bij het nationale sentiment. Karl Marx zei nog: „De arbeiders hebben geen vaderland, men kan hun niet ontnemen wat zij niet hebben”. Het kapitaal heeft immers ook geen vaderland en het socialisme zal niet alleen de arbeidersklasse, maar de mensheid als geheel bevrijden. Vervolgens liet het Europese proletariaat zich onder invloed van het nationalisme wederkerig afslachten in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog.

De natiestaten kenmerkten zich door een voortdurend nauwere betrekking tussen volk en staat, elkaar in hun bestaan en betekenis bevestigend, schreef Van Doorn. „De relatie schiep uitgesproken collectieve identiteiten, emotioneel beleefd en verankerd in een gemeenschappelijke cultuur, taal en geschiedenis.” Volgens Van Doorn leidt het bevorderen door de staat van de nationale volkseenheid „per definitie” tot wantrouwen ten aanzien van alle religieuze, etnische en ideologische minderheden. „De natiestaat was een na-ijverige staat, bedacht op voortdurende inspanningen tot integratie en assimilatie van vreemden of als vreemd beschouwde elementen.”

De afwijzing van de bouw van minaretten (in Zwitserland per referendum door een meerderheid besloten) is dan ook een typerend nationalistisch verschijnsel. In heel Europa hebben de (ultra)nationalistische partijen deze uitslag toegejuicht als een bevestiging van nationale trots en eigenheid, die zich in hun ogen niet verdraagt met uit de Arabische wereld afkomstige architectuur, wat er ook zij van de vrijheid van godsdienst. Het nieuwe nationalisme, dat zich expliciet keert tegen religieuze of etnische minderheden, is in opmars ten koste van het idee van universele waarden, zoals het idee van de menselijkheid en het idee van de persoon als onvervangbare waarde.

In Nederland is het signaal tot deze aanval op de universele, kantiaanse ethiek begin jaren negentig ingezet door de liberaal Bolkestein, die met het oog op de immigratie van moslims de superioriteit van de westerse cultuur bevestigd wilde zien. Kern van zijn betoog was dat de muziek van Beethoven beter is dan gamelanmuziek, waaruit blijkt dat ‘onze’ cultuur van een hogere orde is. Hij verloor uit het oog dat Beethoven niet voor niets de tekst van Schillers Ode an die Freude met de belijdenis van de broederschap van álle mensen uitkoos voor het slotkoor van zijn negende symfonie.

Het loslaten van het idee van universele waarden leidt niet alleen tot hernieuwde aanwakkering van het nationalisme, maar brengt vervolgens onvermijdelijk ook racisme teweeg. Het meest schrijnende voorbeeld daarvan zien wij nu in Israël, als staat gesticht op grond van humanistische en democratische beginselen, maar waar dat concept moreel kapot gaat aan het na-ijverige karakter van de natiestaat die afglijdt naar virulent tribalisme. De Israëlische bondgenoot van Geert Wilders, het extreem-rechtse parlementslid van de Nationale Unie Aryeh Eldad, werft aanhang met de opvatting dat Arabieren geen „werkelijk menselijke wezens” zijn. En daar moet het nationalisme wel op uitdraaien: de ontkenning van het mens-zijn van leden van religieuze of etnische minderheden. Als wij het algemeen menselijke loslaten, zijn we tot massamoord veroordeeld. Eerst een paar minaretten om, maar daar zal het vast niet bij blijven.

De Amerikaanse filosofe Susan Neiman, die deze week in Nederland is voor de Pierre Bayle-lezing, stelt in een interview in de Volkskrant haar hoop op Europa als bastion van de waarden van de Verlichting. „De Verlichters geloofden niet dat het mogelijk was alle kwaad uit te roeien. Maar sommige kwaden wel. Als je wilt weten hoe Europa voor de Verlichting was, moet je denken aan Afghanistan ten tijde van de Talibaan. Er is een enorme vooruitgang geboekt. De slavernij is afgeschaft, in gevangenissen wordt niet meer gemarteld, vrouwen hebben gelijke rechten gekregen. Ik ben ook niet zo onder de indruk van de prestaties van de Europese Unie, maar zestig jaar geleden werd hier nog een strijd van allen tegen allen gevoerd. Europa is het hoogste dat de mens ooit bereikt heeft.”

Inderdaad. Jammer dat ruim zestig procent van de Nederlandse kiezers tégen Europa heeft gestemd, wat een uitdrukking is van dezelfde nationalistische ideologie die in Zwitserland een meerderheid op de been bracht tegen de bouw van minaretten. Hoe krijgt de Europese beschaving de nationalistische geest in de fles?

PS: Op 3 november maakte ik in een terzijde melding van collaboratie door KVP-leider Romme in WO II. Diens biograaf prof. dr. Jac. Bosmans wijst erop dat Romme niet is vervolgd. Volgens toenmalige PvdA-prominenten is onder zware druk van de KVP van vervolging afgezien.

Reageren kan op nrc.nl/etty (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)