Kastanje is maar kort goed

In Parijs is het een gewoonte die een enorm wintergevoel veroorzaakt: kastanjes roosteren op straathoeken in een grote platte koekenpan met gaten in de bodem. De geur is heerlijk en zeker als er zo’n ijzige wind over die boulevards waait, maar als je dan, verlokt door die branderige, rokerige lucht, een portie neemt, raak je niet door het dolle. Ik niet althans, en ik ben altijd en beetje jaloers op mensen die daar wel van genieten, want het zou zo fijn zijn om dat lekker te vinden.

Dat heb je met sommige etenswaren, dat je ze zo graag zou wíllen lusten. Toen ik nog niet van oesters hield – lang geleden – waren oesters zo’n soort eten. Het leek me geweldig om met witte wijn aan zee oesters te eten en dan te genieten van meer dan de voorstelling (hier zitten mensen aan zee met oesters). Nu ik ze graag eet is het eigenlijk nooit aan zee, maar meestal in de winter.

Net als de kastanjes waar we het over hadden. In het heerlijke boekje van Ria Loohuizen Van de kastanje, helaas alleen nog antiquarisch te krijgen, las ik allerlei wetenswaardigs over kastanjes, bijvoorbeeld dat het een Angelsaksisch folkloristisch gebruik was dat meisjes de initialen van jonge mannen die ze aantrekkelijk vonden in de bast van de kastanje kerfden voor ze ze in het vuur legden.

„Meisjes, zet een naam op je kastanje

de eerste die openbarst houdt van je.”

Nu ik alweer een paar keer kastanjes heb klaargemaakt vind ik het wel erg bewonderenswaardig van die meisjes – het is geen sinecure om een naam in een kastanjebast te kerven. Zelfs gewoon dat kruis erin zetten valt niet mee. Je moet ook goed oppassen dat je niet uitschiet met je mes en een kruis in je vingers zet.

Ik lees in dat boekje trouwens ook van alles over hoe je de kastanje moet bewaren en hoe kort-ie maar goed blijft: verscheiden dagen op een koele plaats, tot drie weken in de groentela van de ijskast, drie weken in een bak met water, een paar weken ingegraven.

Er zaten bij de kastanjes die ik laatst op de markt kocht wel enkele rotte en ook rare die al helemaal wit waren geworden, maar de meeste waren toch goed. Ik heb ze gelukkig snel verwerkt – per ongeluk, want ik had eigenlijk het idee dat ze net als noten best lang bewaard konden blijven.

Maar dat is dus niet zo.

Gelukkig had ik vrienden op bezoek die ook niet van kastanjes houden: „wee en melig”, zeiden ze meteen, en „kastanjepuree, bwèèèh”.

Dat is ideaal experimenteerpubliek.

Ik maakte iets wat me zeer ouderwets leek: kastanjes met kool. Bij een varkenshaasje met mosterdsaus en appelmoes van heerlijke goudreinetten waarin een kaneelstokje gestoken wordt bij het koken en verder niets, geen suiker, niet zeven, niets – dat is de lekkerste appelmoes. Gestoomde aardappelen er ook nog bij.

En we waren content. We schepten zelfs steeds weer op van die kool met kastanjes. Zij gaan binnenkort bij hun jaarlijkse haas kool met kastanjes maken.

Dus ik bedoel maar.

Kerf de kastanjes in en kook ze een minuut of tien. Giet ze af en pel ze als ze nog warm zijn, daarna is het helemaal geen doen meer.

Trek de taaiste bladeren van de kool af en bekleed met de rest een pan. Leg de kastanjes in de kool en dek ze af met meer koolbladeren. Giet er wat kokend water bij, bestrooi met zout en laat dit geheel drie kwartier zachtjes stoven. Giet af, doe een klontje boter in de pan en schudt die even om.

Zowel de kool als de kastanjes zijn nu erg lekker.

    • Marjoleine de Vos