In gedachten

Het was maandagmiddag en het liep tegen enen toen een winkelier in een drukke winkelstraat van Amersfoort de voordeur van zijn pand probeerde te openen.

Het was een gezette donkere man, half in de veertig en van Marokkaanse afkomst. Zijn kledingwinkel werd vooral bezocht door jonge Marokkaanse mannen.

Het weekend zat erop, de winkelweek kon weer beginnen. Een magisch en tegelijk angstig moment voor elke middenstander, stelde ik me voor. Het begin van een keten van onzekerheden: zullen er voldoende klanten komen, liefst meer dan vorige week, lukt het de beoogde omzet te halen, of heeft de concurrent aan de overkant betere aanbiedingen? En hoe zal het gaan met de winkelbediende? Die is de laatste tijd wel érg vaak ziek.

Vergeleken daarmee is het leven van de gemiddelde loonslaaf een paradijs van voorspelbare rust, die hooguit wat verstoord kan worden door AOW-wrevels.

De Marokkaanse winkelier stond nog te wroeten in het slot van zijn deur, toen hij plotseling werd aangesproken door een plompe, donkerblonde vrouw van zijn generatie.

„Goeiemorgen, ik moet je nog even wat zeggen”, zei ze tegen de licht voorover gebogen rug van de winkelier.

Hij keek een beetje benauwd achterom. „Goeie…”

„Het heeft me het hele weekend dwarsgezeten en ik ben blij dat ik je nou zie, dan kan ik het meteen rechtzetten.” De vrouw praatte luid en met veel nadruk, alsof ze er geen misverstand over wilde laten bestaan dat het haar ernst was.

De winkelier aarzelde tussen slot en gesprek, wat erop neerkwam dat hij zich geen houding wist te geven.

De vrouw zette een grote tas aan haar voeten neer. „Hoe zal ik het zeggen… nou ja, het was gewoon stom van me. Vorige week liep ik even mijn winkel uit, aan het begin van de straat kwam ik jou tegen en ik… groette niet. Ik weet niet eens meer waarom niet. Ik zag jou wel, maar ik was zó in gedachten dat het niet tot me doordrong. Pas twintig meter verder dacht ik: verdomme, nou heb ik de buurman niet gegroet, wat moet hij wel niet van me denken? Ik weet niet of jij me wilde groeten, maar dat doet er ook niet toe…”

De winkelier had zich nu helemaal opgericht en half omgedraaid. Op zijn geplooide gezicht tekende zich een meewarig soort verbouwereerdheid af. Hij mompelde iets.

„Weet je het nog?” vroeg de vrouw. „Het was bij de bakkerij, ik denk dat je net wat broodjes had gehaald.”

Hij haalde zijn schouders op, eigenlijk maar één, en dan nog nauwelijks waarneembaar.

„Het was om een uur of twaalf, lunchtijd”, hield de vrouw aan, „we keken elkaar even aan en ik liep gewoon door.”

„Jaja”, zei hij. „Is goed, ja.”

De vrouw knikte opgelucht. „Ik moest het even aan je kwijt. Het is maar dat je weet dat het niets persoonlijks was.”

„Ja”, zei hij, en hij stootte zijn sleutel weer in het slot, vastberadener dan ooit. „Goed… dag!”

„Dag!” riep de vrouw blij. „En een hele goeie week nog!”

Ze liep snel door naar haar eigen modezaak, twee panden verderop.

Ik liep ook door. Wat was hier gebeurd? Je kon er de hele multiculturele samenleving bij halen, maar je kon het ook simpeler houden: je ziet iemand en tegelijk zie je hem niet, omdat je alleen maar jezelf ziet, een spook met verwarde gedachten.

    • Frits Abrahams