God en ik

Op een stralende ochtend liep ik in mijn bloot gat door het paradijs dat God geschapen heeft onder de vorm van een maïsveld. Nu zou ik kunnen zeggen dat dit een hemelse ervaring was, maar dat doe ik niet. Ik wil het namelijk hebben over het gevolg van mijn ochtendlijke tocht. Dat gevolg staat ook bij jou in de buurt maar je zal het nooit opmerken. Net zoals je zoveel andere goddelijke creaties voorbijloopt. Je mist ze pas als ze er niet meer zijn.

Ik weet dat onze kameraad de landbouwer het niet graag heeft maar telkens als ik door een van zijn velden kuier, pluk ik een maïskolf. Ik steek de kolf in de lucht als een dj zijn danshandjes, vlakbij de wolken, tot in de schoot van God. Even met maïskolven in de lucht roeren, ontroert mij. Aldus loof ik de schepper op mijn eigen hedendaagse manier en dank ik ook meneer de landbouwer die mij erg blij maakt met de vruchten van zijn veld. Dank je, meneer. En houd je maar vast aan je bretellen, landbouwmakker, want wat ik je ga vertellen, zal het landbouwvak een andere dimensie geven.

Die ochtend nam ik de maïskolf mee naar huis en legde hem in een oliebadje op het vuur. Ik stapte uit mijn kleren en trok naar de badkamer.

Onder de douche hoorde ik plots geweerschoten weerklinken. Met gevaar voor eigen leven sloop ik naar het hart van het geweld, de haard van de terroristische aanslag: de pot met het oliebadje. Daar konden mijn eigen ogen vaststellen dat hete maïskorreltjes ontploffen en alle hoeken van de pot beschieten, en ook de persoon die het deksel licht.

De maïskorreltjes waren woedend, zoveel was duidelijk. Waarom? Ik sloeg het deksel dicht en bedacht, bedekt met rode brandstipjes, dat ik fout was geweest. Ik had de maïskolf niet uit de grond mogen rukken. De schepping in wording afbreken is helemaal verkeerd. Wat kon ik doen om dit weer goed te maken?

Het lag voor de hand. Ik veegde de maïspofbolletjes bij elkaar, liet ze afkoelen en kalmeren en vermaalde ze tot meel. Het is niet voor lang, alles zal weer goed komen, vertelde ik de meelvlokjes en ze knikten. Ik voegde wat water toe. Uit dat deegje draaide ik kleine kogeltjes, maïskorreltjes. De kolf die ze hun geboortegrond hadden genoemd, lag in mijn vuilnisbak te kreunen. Ik zette hem recht en begon aan het monnikenwerk.

Een hele nacht heb ik gepuzzeld en gezocht tot ik vond welk maïskorreltje ik waar op de kolf moest terugplaatsen. Maar het is mij gelukt. Vanochtend ben ik heel vroeg teruggegaan naar het veld en heb ik de maïskolf op zijn stengel weer in het veld geplaatst. Tot meerdere eer en glorie van de natuur.

Wie merkt het verschil? God en ik, maar jij niet.

    • Saskia de Coster