De Ayaan van de ontwikkelingshulp

Charles Groenhuijsen was gisteren de anchorman van een speciale editie van het NOS Journaal. Verrassend, want eerder was op het laatste moment zijn beoogde opvolging van Philip Freriks afgeblazen. Het ging dan ook om een nepjournaal, van het type dat de Marsmannetjes zijn geland of dat Wallonië zich van België heeft afgescheiden.

Tegenlicht (VPRO) koos voor deze wat onhandige verpakking voor de aflevering ...en wat als we de hulp stoppen?, te vergelijken met de toen nog hypothetische verkenning van De dag dat de dollar valt.

Groenhuijsen maakte bekend dat met ingang van 1 januari 2011 Nederland alle ontwikkelingssamenwerking met Afrikaanse landen onder de Sahara beëindigt. Op televisie is het verstandig om dan toch op zeker moment te melden dat het nieuws niet echt waar is, maar die mededeling bleef uit.

Integendeel, in schakelingen met correspondenten in verschillende landen reageerden Londen en Oslo verbijsterd, maar de Rwandese president Paul Kagame en het voormalige staatshoofd van Tanzania, Benjamin Mkapa (beiden wel echt), vonden het helemaal geen slecht idee.

De ware hoofdpersoon van de uitzending was de Zambiaanse econoom Dambisa Moyo. Zij is de lieveling van politici die altijd al tegen ontwikkelingssamenwerking waren. In Het Binnenhof van Jaïr (Het Gesprek) deed Arend Jan Boekestijn, toen nog Kamerlid voor de VVD, zelfs alsof hij verliefd op haar was, en ik moest meteen aan Ayaan Hirsi Ali denken.

Maar het verhaal van Moyo is zeer overtuigend. Ze betoogt dat Afrika als enige werelddeel achterblijft in economische groei, omdat er praktisch geen particulier bedrijfsleven is. Veel landen liggen als junkies aan het infuus van de ontwikkelingshulp en die vaak corrupte staten zijn nu eenmaal geen ondernemingen. Ze besteden de ontvangen gelden doorgaans niet aan zaken die de bevolking ten goede komen.

„Voor progressieve politici in rijke landen is het makkelijker hun chequeboek te trekken dan de thuismarkt te openen voor Afrikaanse producten”, stelt Moyo. Bovendien wordt een groot deel van het ontwikkelingsgeld weer uitgegeven aan diensten en goederen van Europese bedrijven.

Een woordvoerder van Cordaid beschuldigde China ervan uitsluitend uit eigenbelang hulp te bieden, maar in werkelijkheid geldt dat net zo goed voor ons.

Aan het slot van Tegenlicht inventariseerde Groenhuijsen „een jaar later” de blijvende gevolgen van deze neoliberale vorm van dekolonisatie. Een Oegandese journalist meldde dat de staatselites zich niet zomaar hadden laten beroven van hun welstand. En in Brussel betoogden boze boeren tegen de open markt.