'Bijzonder verantwoordelijk voor Nederlandse bedrijven'

ING Bank werpt zich op als de nieuwe ‘hoeder’ van het Nederlandse bedrijfsleven, een rol die in het verleden veel meer door ABN Amro werd vervuld. „We zullen alles op alles zetten.”

In moeilijke tijden is er altijd de drang naar het bekende. Ook in het bedrijfsleven.

Nederlandse bedrijven, vooral de grotere, werken meestal met meer dan één bank, en vaak ook met een aantal buitenlandse banken. Maar de bedrijven, hoe groot ze ook zijn, willen altijd minstens één Nederlandse bank hebben.

Als ze bij ING gaan bankieren, komen ze terecht bij Annerie Vreugdenhil, directeur grootzakelijke klanten bij de bank en verzekeraar. De klanten waar Vreugdenhil zich om bekommert, zijn de beursgenoteerde ondernemingen en elk Nederlands bedrijf met een omzet van meer dan 250 miljoen euro. „Wij zijn een soort ankerpunt.”

Waarom wil een Nederlands bedrijf eigenlijk een Nederlandse bank?

„De afgelopen twee jaar hebben we gemerkt dat iedereen, als het mis gaat, toch naar de bedrijven in eigen land kijkt. Bedrijven hebben het gevoel dat een Nederlandse bank beter voor ze zal zorgen. Grote bedrijven hebben meerdere banken, maar een Nederlandse bank is een soort ankerpunt waar het gaat om de dienstverlening en, uiteindelijk, de kredietverlening.”

De rol van bewaker van het Nederlandse bedrijfsleven was tot de overname in 2007 in handen van ABN Amro. Wil ING die rol overnemen?

„Toen ABN Amro begin 2007 werd belaagd door het hedgefonds TCI, zeiden klanten al tegen ons dat wij die rol moesten overnemen, van helper in moeilijke tijden.”

En doet u dat? Harder uw best doen voor Nederlandse bedrijven?

„Wij voelen een grote verantwoordelijkheid naar de Nederlandse markt. Er zijn natuurlijk altijd bedrijven die niet gered kunnen worden, maar we zullen alles op alles zetten als een bedrijf in nood komt. Of we in de perceptie van klanten de rol van ABN Amro op dit gebied al hebben overgenomen, dat weet ik niet. Maar we hebben dit jaar bijvoorbeeld wel de herfinanciering gedaan van Tomtom en Heijmans. Dat waren complexe financieringen en het was ingewikkeld om iedereen aan boord te krijgen.”

De zakenbank zit in veertig landen. Het Nederlandse bedrijfsleven is in veel meer landen actief. Waarom zouden ze voor ING kiezen?

„Wij zijn nog de enige Nederlandse bank met een eigen internationaal netwerk, maar het is niet zo dat we overal ter wereld alles voor iedereen willen zijn. We zijn een sterke Europese speler, zo worden we ook gezien door klanten. In Europa – ook in Centraal- en Oost-Europa – kunnen we veel producten aanbieden, zoals al het betalingsverkeer regelen. In Azië en Amerika zijn we actief, maar bieden we minder aan.”

En dat vinden uw klanten niet vervelend?

„In Noord-Amerika bijvoorbeeld zijn er zoveel banken en is er een dermate goede bancaire infrastructuur dat we daar niet alles hoeven te doen. Daar kunnen klanten ook naar andere banken. In Zuid-Amerika is het belangrijk dat we actief zijn in grondstoffen, voor andere zaken huren klanten vaak een regionale speler in, zoals Santander. Het is belangrijk voor klanten dat we – buiten Europa – juist in die landen zijn waar de bancaire infrastructuur minder goed is en waar ze minder goed weten hoe de Nederlandse klanten bediend willen worden. Zo kunnen we in India en China wel veel aanbieden via belangen in lokale banken. Onze klanten vinden het aantrekkelijk dat we lokale kennis hebben, bijvoorbeeld in India waar we via de Vysya Bank met 450 kantoren zitten in heel het land.”

Het aantal landen waar u actief bent gaat niet omhoog?

„Overal zitten is niet rendabel, het is te duur. Het lijkt prachtig, om overal groot te zijn, maar je moet wel geld verdienen. We zaten tot enkele jaren geleden in 52 landen en nu nog in 40, we hebben ons teruggetrokken waar het niet rendabel was. Je moet ook lokaal genoeg klanten kunnen krijgen, alleen met Nederlandse klanten red je het niet.”

Het bedrijfsleven is hard getroffen door de crisis. Merkt u al iets van een ommekeer?

„Je merkt dat bedrijven nu weer een gevoel krijgen waar ze staan. Ze nemen nog geen echte risico’s, maar je voelt het borrelen. Waar men begin dit jaar alleen maar sprak over overleven, beginnen er nu weer plannen te komen en beginnen bedrijven weer vooruit te kijken. Er worden weer acquisities gedaan om groei te bewerkstelligen. Die komt nog niet zozeer uit organische groei, want er wordt nog steeds veel capaciteit niet benut. Ik denk dat we een geleidelijk herstel krijgen, een geleidelijke weg naar boven.”

    • Heleen de Graaf