Zorginstellingen zijn soms net banken

De overheid steunt de ‘doorstart’ van twee zorginstellingen uit het failliete Meavita-concern met recordsteun. Waar gaat het geld heen?

Het grootste debacle in de gezondheidszorg vergt nu ook de grootste steunactie van de overheid.

Media februari 2009 kon het Meavita-concern (20.000 werknemers, 100.000 klanten) het niet meer bolwerken. Het zorgconglomeraat was gevormd door een serie fusies van regionale thuiszorginstellingen en verpleeghuizen. Het had flinke investeringen gedaan in innovatieve zorg, maar zonder nieuwe inkomsten. De interne cohesie en het financiële beheer schoten tekort. Meavita viel uit elkaar. Sommige werkmaatschappijen konden verder, maar Meavita moest voor zichzelf faillissement aanvragen, evenals voor twee van zijn belangrijkste dochters in Groningen en Den Haag.

De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), die optreedt als het ‘steunloket’ van de overheid, legt nu 37.378.000 euro op tafel, zo hebben NZa en staatssecretaris Jet Bussemaker (Volksgezondheid; PvdA) vrijdagavond bekendgemaakt. Thuiszorg Groningen krijgt ruim 15 miljoen euro, Haagse Wijk en Woonzorg 22 miljoen.

De steunoperatie overtreft met gemak die voor de IJsselmeerziekenhuizen, eerder dit jaar. [Zie het inzetje met de top-5 steunacties.]

Het bankroet van Meavita was in februari een feit toen Bussemaker de laatste steunaanvraag van Meavita, 22 miljoen euro groot, van de hand wees. Het was haar, schreef zij de Tweede Kamer, niet duidelijk waarvoor het geld zou worden gebruikt. Toen de zorgkantoren, die de zorggelden beheren, hun voorschotten aan Meavita staakten, viel het doek.

„Meavita is een waarschuwing” zei Bussemaker tegen deze krant.

Maar de ‘uitvaart’ van Meavita is ook een probeersel.

Het ministerie van Volksgezondheid kampt vrijwel permanent met de vraag: moet een noodlijdende zorginstelling worden gesteund? De hoofdlijnen van het ministerie zijn op papier overzichtelijk. Regel één: slecht beleid wordt niet beloond. Dus: geen steun toen Amsterdam Thuiszorg twee jaar geleden bankroet dreigde te gaan. Drie andere zorgaanbieders brachten redding.

Maar ook deze regel kent uitzonderingen. De IJsselmeerziekenhuizen kregen wel steun, evenals, recentelijk, twee abortusklinieken in Amsterdam.

De tweede regel is: wel steun om de continuïteit van de zorg veilig te stellen, maar dat is niet vanzelfsprekend ook de continuïteit van de zorginstelling. Dit was tot de ondergang van Meavita in hoge mate theorie. Niemand wilde het risico nemen dat een grote zorginstelling of een regionaal ziekenhuis failliet zou gaan en dat in de daaropvolgende chaotische dagen slachtoffers zouden vallen.

Als het faliekant fout ging bij een zorginstelling, was het scenario overzichtelijk. Het bestuur en de raad van toezicht vroegen – samen met het zorgkantoor – steun aan. Zij kwamen met een saneringsplan, inclusief een eigen bijdrage. Vervolgens maakten bestuur en toezichthouders plaats voor opvolgers die de sanering moesten uitvoeren. De continuïteit van de zorg bleef intact, die van de instelling ook, maar de arbeidscontracten van de top niet.

Bij Meavita liep alles wat anders. Het concern ging wél failliet. De activiteiten van de failliet verklaarde werkmaatschappijen in Groningen en Den Haag werden voortgezet in twee nieuwe stichtingen. Zij namen tevens het personeel van de failliete stichtingen over op basis van de bestaande arbeidsvoorwaarden. Dat is ongebruikelijk bij faillissement. Dan zijn juist de werknemers het kind van de rekening: zij staan op straat zonder sociaal plan.

Maar bij Meavita regisseerde het ministerie het anders. De werknemers zijn het belangrijkste kapitaal van een zorginstelling, hield Bussemaker het parlement voor. Dankzij de oprichting van de nieuwe stichtingen en de geruisloze overgang van het personeel naar deze stichtingen stelde zij de continuïteit van de werkgelegenheid zeker en daarmee de gewenste continuïteit van de zorg.

Nu komt de rekening. Meavita had bij zijn uiteenvallen geen geld voor een sociaal plan. Dat komt nu van de overheid. Van de steun is 26 miljoen euro gereserveerd voor de uitvoering van de sociale plannen. Dit wijkt af van de vaste steunregels van de NZa en het wordt daarom gemeld bij de Europese Commissie. Die moet beslissen of dit acceptabele staatssteun is.

De ondergang van Meavita heeft Bussemaker en minister Klink (Volksgezondheid, CDA) geconfronteerd met hetzelfde gegeven als minister Wouter Bos van Financiën (PvdA). Sommige geldgiganten zijn te groot om failliet te laten gaan. Sommige zorginstellingen zijn zo groot, dat faillissement de continuïteit van de geleverde zorg schaadt. Ze kunnen op papier wel failliet gaan, zoals Meavita, maar praktisch gesproken niet. Nieuwe stichtingen nemen het werk over en de overheid steunt de nieuwkomers.

Brussel mag nu de vraag beantwoorden: kan dat in een tijdperk van meer marktwerking? Zijn andere aanbieders benadeeld?

Voorwaarde voor de NZa-steun is dat de stichtingen een fusie- of overnamepartner zoeken. Dat moet ook wel. Afgaand op de cijfers in het steunbesluit van NZa hebben zij ook na de steun nog onvoldoende financiële reserves.