Wallstreet als een akelig walhalla

Eva-Maria Westbroek zingt in de cowboyopera La Fanciulla del West de rol van de stoere barmaagd Minnie. „Ze is een vrouw van vlees en bloed.”

Als negentienjarige droomde ze weg bij oude opnames van de opera’s van Puccini. „Op die platen hoorde je deuren piepen en vloeren kraken. Heel echt”, lacht sopraan Eva-Maria Westbroek (1971). Ze is deze maand bij de Nederlandse Opera te beluisteren. En dat is opmerkelijk, want na haar doorbraak, met de Nederlandse Opera in de titelrol Lady MacBeth van Mtsensk, is ze internationaal ‘hot’.

La Fanciulla del West (‘Het meisje uit het westen’) is haar lievelingsopera van Puccini. „Een liever, puurder en geloofwaardiger personage dan barvrouw Minnie is er niet.” Maar in de Puccini-receptie heeft de cowboyopera La Fanciulla del West een gekke plek. De première was in 1910 een doorslaand succes, mede dankzij de leiding van Arturo Toscanini en de medewerking van stertenor Enrico Caruso als Minnies love-interest, de bandiet Dick Johnson. Daarna zakte de waardering in. „Puccini voelde zelf al aan dat zijn eerste akte niet deugt”, zegt regisseur Nikolaus Lehnhoff. „Hij wilde dolgraag een echte ‘Amerikaanse’ opera maken, maar de totstandkoming was een worsteling; niet voor niks duurde het na Madama Butterfly zeven jaar voor La Fanciulla gereedkwam. Critici verweten Puccini dat zijn Butterfly te zoet zou zijn; banaal en gedateerd. La Fanciulla moest vernieuwend zijn, modern, anders.”

Dat werd de opera ook. „Vanaf La Fanciulla klinkt de muziek van Puccini wrang en onaangenaam”, treurde schrijver Heinrich Mann. „Nou, het blijven ongelooflijke melodieën, hoor”, nuanceert sopraan Westbroek. „Maar alles komt wel voort uit de actie – de aria’s zijn daarmee verweven.”

In Londen, waar ze de rol eerder zong, nam ze bodybuilders uit haar sportschool mee om haar in haar lievelingsopera aan het werk te zien. Westbroek lacht. „‘Net een film!’, zeiden ze. Dat is waar. Er zit nergens een dip in de handeling.”

Maar de orkestmuziek volgt de zanglijnen wel minder precies dan in Puccini’s vroegere opera’s, en de harmonieën zijn brutaler, dissonanter ook. „Zelfs de zeer vooruitstrevende Anton Webern was over deze Puccini enthousiast”, lacht regisseur Nikolaus Lehnhoff (1939). Van hem waren bij De Nederlandse Opera al eerder fraai geënsceneerde voorstellingen van Wagners Tannhäuser en Puccini’s Tosca en Turandot te zien. Wat hij precies wil met La Fanciulla, blijft tot de première een geheim – daar is hij onverbiddelijk in. Wie in een restaurant eet, blijft weg uit de keuken. Bij opera is dat niet anders.

„Ik en een cowboyopera”, zucht Lehnhoff. „Aan het begin van mijn carrière werd ik vooral gevraagd voor het Grote, Ernstige Duitse Repertoire. Bij De Nederlandse Opera is dit nu mijn derde Puccini. Ik stond er zeer gereserveerd tegenover. La Fanciulla ken ik van toen ik veertig jaar geleden werkte bij de Metropolitan Opera in New York. Het is een stervehikel voor grote sopranen. Maar ik heb nu zoveel Wagneriaanse verlossingsvrouwen onder handen gehad, dat een wat pragmatischer type me wel heilzaam leek.”

Een doortastender en innemender sopranenglansrol dan die van Minnie is inderdaad nauwelijks denkbaar. „Zij is een soort Laura Ingalls uit Het kleine huis op de prairie”, zegt Eva-Maria Westbroek. „Geen libretto is zo extreem leuk als dat van juist deze opera. Dat zit hem in de details, en het feit dat Minnie zowel sterk als schattig is. Ze aarzelt wat ze aan moet voor haar afspraakje met Dick, ze voelt zich soms een enorme sukkel. Het is allemaal zó herkenbaar. Dat maakt haar voor mij een vrouw van vlees en bloed.”

In het kort: cowgirl Minnie drijft een saloon waar berooide gouddelvers samenscholen voor een borrel en een blik op haar. Zij houdt ze met kloeke woorden en bijbellessen op afstand, maar voor en door de vreemdeling Dick Johnson (eigenlijk de bandiet Ramerrez) voelt ze wel de ware liefde die ze van haar ouders kent. „Soms zeggen mensen dat die mix van stoere taal, naïviteit en bijbeltrouw Minnie ongeloofwaardig maakt, maar dat vind ik niet”, zegt Westbroek. „Ze is jong, onervaren in de fysieke liefde. Dat redt haar in die mannenwereld; ze voelen dat haar puurheid echt is.”

Als Minnie haar Dick ontmaskert als boef, vergeeft ze hem. „Daar draait het om”, vindt Westbroek. „Liefde, vergeving. Dat iedereen een tweede kans verdient.”

Regisseur Lehnhoff beziet het libretto kritischer. „Het is een stuiverroman – sentimenteel tot en met. Denk Mahagonny à l’Italiana.” Dat bepaalde ook zijn aanvankelijke huiver voor de opera. „Je moet als regisseur toch een aanknopingspunt vinden. Want de muziek is absoluut niet banaal.”

Lehnhoff vond zijn entree in Minnie, vertelt hij. „Als zij in die mannenwereld binnenkomt – dat geeft zo’n tsunami van klank dat het theatraal gewoon ook een showbizzentree eist.” Combineer dat met het gegeven dat de mannen in La Fanciulla hun leven in dienst stellen van de zoektocht naar geld en Lehnhoff kon de associatie met de ‘American Dream’ niet meer wegdrukken, zegt hij. „Ik toon dus dat de zoektocht naar geld als levenselixer een illusie is.” Stralend: „En dat verzon ik nog voor de bankencrisis.”

Minnie is, verraadt Westbroek, een trailer girl in roze trainingspak. Haar saloon een undergroundcafé met fruitautomaten waarboven Wall Street opdoemt als akelig walhalla, bevolkt door maffiosi in leren kostuums. Het voor Lehnhoff lastig te verteren happy end, waarin bandiet Dick wordt vrijgesteld van de strop en hij en Minnie vrijuit gaan – daarover wil hij nog geheimzinnig blijven. „Maar het is natuurlijk vreselijk ongeloofwaardig. Eén clue: in Hollywood is alles mogelijk.”

La Fanciulla del West, van 2 t/m 28 dec in Het Muziektheater Amsterdam. Inl: www.dno.nl, 020-6255455