Jongerius overspeelde haar hand

De opkomst bij de betoging van de FNV tegen de verhoging van de AOW-leeftijd viel erg tegen.

Geen wonder, er is ook weinig aanhang.

Een spel met alleen maar nieten – daarop lijkt het AOW-conflict waarin de FNV zich heeft begeven. De verhoging van de pensioenleeftijd zal niet worden tegengehouden; de acties lopen uit op een teleurstelling en maken plaats voor twijfel aan het leiderschap; de verhoudingen met de werkgevers verzuren; de FNV isoleert zich en drijft verder weg van vernieuwend links.

Hoe kunnen we de kuil die de FNV voor zichzelf heeft gegraven verklaren? Ik kom tot vier oorzaken.

Ten eerste, de achteruitgang van de vakbeweging. Alle vakbonden in post-industriële samenlevingen staan onder druk, leiden ledenverlies en boeten in aan macht en aanzien. Het percentage werknemers dat bij een vakbond is aangesloten – ooit 40 procent – is gehalveerd. De oorzaken: jongeren weten de weg naar de vakbeweging niet meer te vinden en vakbonden kennen de weg naar de werknemers in nieuwere bedrijfstakken en arbeidsrelaties niet. Het gevolg is dat de vakbeweging veroudert en opschuift naar de beschermde publieke sectoren en oudere, onder druk staande sectoren. Van een vooruitgangsbeweging dreigt de vakbeweging een achteruitgangsbeweging te worden.

Verhinderen in plaats van aanjagen – zo omschreef de socioloog en politicus Dahrendorf zulke bewegingen. Achteruitgangsbewegingen specialiseren zich in het tegenhouden van veranderingen. Ze hebben ook minder geld, publiek vertrouwen en capabel personeel. Ze zijn daarom meer uitgeleverd aan de steun en bedoelingen van anderen.

Ten tweede, door zijn eenzijdige samenstelling vertegenwoordigt de vakbeweging steeds minder de toekomst. Men bijt zich vast in de problemen van de groep oudere werknemers die zich bedreigd voelt. In wezen gaan alle conflicten van de laatste vijftien jaar – VUT en prepensioen, arbeidsongeschiktheid, ontslagrecht, en nu de AOW – over hetzelfde probleem: de motivatie, beloning en kwaliteit van de arbeid van werknemers gedurende de tweede helft van hun loopbaan. De neiging bestaat dit als een achterhoedeprobleem te benaderen: zij kunnen er niets meer aan doen en moeten dus ontzien worden. Het zou wel eens kunnen zijn dat de mensen die het zo beleven, bovenmatig in de vakbeweging vertegenwoordigd zijn en de FNV dit als democratische organisatie vervolgens uitvent. Het gevolg is dat de kloof met nieuwe generaties alleen maar groter wordt en het isolement toeneemt.

Dit brengt me op de derde oorzaak, de beperkingen van de vakbondsdemocratie. Met 20 procent georganiseerde werknemers sluiten de bonden contracten voor 80 procent van de werknemers af. Voor belangrijke zaken, zoals de AOW, horen daar referenda bij van alle werknemers, niet alleen van de leden. Opinieonderzoeken zijn daarvoor geen vervanging. En als zulke referenda niet georganiseerd kunnen worden, dan hebben we algemene verkiezingen en een parlement. De vorige FNV-voorzitter, Lodewijk de Waal, placht te zeggen dat het met de omvang en samenstelling van politieke partijen nog veel treuriger gesteld is dan met de vakbeweging en daarin had hij gelijk. Maar partijen worden elke vier jaar onderworpen aan verkiezingen en vakbonden niet.

Ten slotte, het leiderschap. Men hoeft niet te twijfelen aan de beste bedoelingen en heilige verontwaardiging van Agnes Jongerius om te concluderen dat de AOW-strijd een tactische en strategische blunder is. Strategisch omdat de FNV zich op de kaart zet als achterhoedebeweging en uitlevert aan partijen en krachten waar men op de lange duur beslist niet van afhankelijk wil zijn. Een beetje om zich heen kijken had kunnen leren dat in geen van de ons omringende landen de verhoging van de pensioenleeftijd is tegengehouden. De verloren tegenstand heeft de vakbeweging en de werknemers nergens winst opgeleverd – zie Duitsland of Frankrijk.

De tactische fout bestaat erin dat de FNV niets te bieden had aan de werkgevers, te hoog van de toren blies en nu niet weet hoe de geest weer in de fles moet. Ik vrees dat hier sprake is geweest van zelfoverschatting na het Museumpleinakkoord van 2004. Toen zette de vakbeweging zich – dankzij een autistische regering, verdeelde werkgevers en nauwe samenwerking tussen de bonden – weer op de kaart. Agnes Jongerius speelde daarin een grote rol. Dacht zij werkelijk dat dit herhaald kan worden en dat het akkoord van toen een akkoord voor altijd is? Haar aanval op PvdA-leider Bos suggereert dat wel.

In het meest vernieuwende sociale akkoord dat de FNV ooit afsloot – de ‘nieuwe koers’ van december 1993 – beloofde men de arbeidsverhoudingen te vernieuwen. Het beleid zou worden afgestemd op de wenselijke verhoging van de arbeidsparticipatie. In dat kader zou bijzondere aandacht worden besteed aan „verminderen van de werkdruk of aanpassing van de arbeidsorganisatie dan wel andere maatregelen die kunnen bijdragen aan verbetering van de arbeidsomstandigheden en de kwaliteit van het werk”. Met een dergelijke agenda kan de FNV zich misschien weer omhoog graven.

Jelle Visser is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en wetenschappelijk directeur van het Amsterdamse Instituut voor Arbeidsstudies AIAS.