Iraanse provocaties

De treiterneiging van het Iraanse bewind heeft weer een nieuwe vlucht genomen. Gisteren kondigde de regering in Teheran aan dat ze snel tien locaties gaat bouwen waar uranium zal worden opgewerkt. Daarmee gaf president Ahmadinejad een antwoord aan het Internationaal agentschap voor atoomenergie, dat vrijdag opriep om te stoppen met geheime atoomprojecten.

Het besluit van gisteren was de tweede Iraanse provocatie in een paar dagen. Donderdag bleek dat de autoriteiten in Teheran eerder beslag hadden gelegd op de bankrekeningen en zelfs de medailles van de mensenrechtenactiviste Ebadi, die de Nobelprijs voor de Vrede won en werd gelauwerd in het Legion d’honneur.

Het zijn allemaal aanwijzingen dat het bewind uit alle macht in het centrum van de internationale belangstelling wil staan. President Ahmadinejad probeert intussen namelijk ook zichzelf allure te geven met staatsbezoeken aan landen die meer of minder anti-Amerikaans zijn. Vorige week was hij in Zuid-Amerika, waar hij op bezoek was bij de collega’s Lula (Brazilië), Chávez (Venezuela) en Morales (Bolivia).

Het bewind zoekt kennelijk zowel in eigen land als daarbuiten de confrontatie. In Iran zelf is het daarbij, cynisch geredeneerd, nogal succesvol. De repressie begint de oppositie, verdeeld tussen seculiere hervormers en loyale islamitische revolutionairen, eerder uiteen te drijven dan te verenigen.

Maar dat wil niet zeggen dat het bewind zelf ook eensgezind is. Revolutionaire Garde en paramilitaire Basij, die controle hebben over een militair industrieel complex, zijn in opmars. Maar de islamitische ideologen, die meer over God dan Mammon dromen, en de pragmatici hebben zich nog niet gewonnen gegeven. Mede daardoor kan Ahmadinejad nog steeds geen doeltreffend economisch beleid voeren in dit olie uitvoerende land waar benzine op de bon is.De aankondiging dat er tien nieuwe opwerkingsfabrieken worden gebouwd, lijkt nu dan ook meer een vlucht naar voren dan een weloverwogen concept.

De internationale gemeenschap staat niettemin weer eens voor het blok. In Iran is er weinig hoop op een democratische doorbraak. De repressie zal er eerder verscherpen dan milder worden. Met name het Westen maakt zich daar zorgen over en toont zich dan ook kritisch. Maar op de keper beschouwd is het atoomprogramma van Iran nog altijd het eerste agendapunt voor diezelfde buitenwereld. Want dit project zou wel eens de dekmantel kunnen zijn voor het ontwikkelen van een bom die het Midden-Oosten op zijn kop zet.Strikt genomen is die prioriteit rationeel. Het indammen van de nucleaire ambities van Iran is nu van een hogere orde dan de solidariteit met een oppositie die in elkaar wordt geknuppeld en tegelijkertijd het atoomprogramma ook ziet als een patriottisch project van een trotse en grote natie.

Maar politiek gezien zouden de mensenrechten nevengeschikt moeten zijn. Internationale druk is geboden. Maar nationale pressie is net zo belangrijk. Want als het regime er in slaagt de oppositie nog verder te splijten door het atoomprogramma te promoveren tot dé lakmoesproef voor Iraans patriottisme, is het einde zoek.