Het tekort op de JSF is een kwestie van rekenen

Overheid en bedrijfsleven hebben hun conflict over de JSF-investeringen beëindigd. Maar hoeveel gaat het Rijk meer betalen?

Afgelopen vrijdag kwam er een einde aan het slepende conflict tussen de overheid en bedrijfsleven over de terugbetaling van de 800 miljoen dollar die de staat heeft geïnvesteerd in de F-35 Joint Strike Fighter (JSF). Maar meteen nadat de uitspraak van het Nederlands Arbitrage Instituut bekend was geworden, ontstond er verwarring.

‘JSF duurder voor de staat dan begroot’, kopte deze krant. Niet waar, reageren woordvoerders van EZ en de NIFARP, de organisatie van bedrijven die meedoen aan de JSF. De arbiters hebben inderdaad bepaald dat de Nederlandse bedrijven geen 308, maar slechts 157 miljoen euro hoeven terug te betalen aan de schatkist. Dit betekent nog niet dat de staat er 151 miljoen euro er bij inschiet.

De verwarring begint in 2002 als het tweede Paarse kabinet 858 miljoen euro betaalt om mee te doen met de ontwikkeling van de beoogde opvolger van het F-16 gevechtsvliegtuig, de Amerikaanse Joint Strike Fighter.

Als tegenprestatie zouden Nederlandse bedrijven miljarden aan orders tegemoet kunnen zien.

Volgens het kabinet kon de investering van 800 miljoen dollar (destijds 858 miljoen euro) in zijn geheel worden terugverdiend. Nederland kreeg korting bij aanschaf, en zou meedelen in de winst als er JSF-toestellen zouden worden verkocht aan ‘derde landen’, die niet hadden geïnvesteerd.

Om te bewijzen dat Nederland ‘kostenneutraal’ kon meedoen aan het JSF-project, hadden Defensie en EZ een rekenmodel opgesteld. Maar deze ‘business case’ was gebaseerd op onzekere factoren. Wat de JSF zou gaan kosten was nog ongewis. Hoeveel er in totaal zouden worden gebouwd ook. Hoe de dollarkoers zich in de komende dertig jaar zou ontwikkelen, kon niemand in 2002 voorzien. De ‘business case’ was dus een toekomstverwachting.

Het ministerie van Financiën vond de aannames van Defensie en EZ te optimistisch, en stelden ze naar beneden bij. Daardoor gaapte er een ‘gat’ van 191 miljoen, dat opgevuld moest worden met 3,5 procent van de JSF-omzet van de bedrijven.

Over het contract tussen de overheid en bedrijfsleven, de zogeheten ‘Medefinancieringsovereenkomst’ (MFO) was maandenlang keihard onderhandeld. Volgens de bedrijven was er helemaal geen tekort. Er kwam een compromis. In 2008 zou het gat in de ‘business case’ opnieuw zou worden berekend. Pas dan zou het ‘afdrachtpercentage’ definitief worden vastgesteld.

Maar toen EZ vorig jaar de nieuwe berekening bekend maakte, was Leiden in last. Volgens EZ was het tekort opgelopen tot 308 miljoen euro. Om dat geld terug te krijgen, moesten bedrijven geen 3,5 maar 10,1 procent van hun omzet afdragen. Ter vergelijking: de gemiddelde marge in de luchtvaartsector is 7 procent.

Voor de bedrijven restte er nog één mogelijkheid: arbitrage. Achter de gesloten deuren van het Nederlandse Arbitrage Instituut (de zittingen van het NAI zijn niet openbaar) werd er jarenlang verder geruzied over het tekort.

Nu ligt er een uitspraak. De bedrijven hoeven veel minder terug te betalen dan EZ vorig jaar heeft bepaald. Omdat de uitspraak niet openbaar is gemaakt, ontbreken de details. Maar verschillende partijen bevestigen dat de arbiters een belangrijke aanname van EZ hebben bijgesteld.

In 2002 besloot het kabinet het risico van de dollarkoers af te dekken door termijndollars te kopen voor 1,15 euro. Maar kort daarop zakte de dollar in elkaar. De staat is dus duurder uit dan uiteindelijk nodig is gebleken. Volgens de arbiters is dat een fout waarvoor de bedrijven niet mogen opdraaien. De arbiters reken met een gemiddelde koers van 0,8 euro, zo laat EZ weten.

Daardoor vallen de kosten voor de staat lager uit en is het tekort ineens een stuk kleiner. „Een meevaller voor de industrie, én de staat”, meldt een woordvoerder vrolijk.