De staat weet bijna alles van me - een déjà-vugevoel

De Nederlandse burger heeft er geen bezwaar tegen dat de staat alles van hem weet. Hij realiseert zich niet dat dit ook tegen hem kan worden gebruikt, stelt Hanna Rennings-Kroze.

Ruim twintig jaar geleden – nog voor de val van de Muur – ben ik uit het communistische Polen naar Nederland gekomen, mijn Nederlandse echtgenoot volgend naar een land van vrije mensen, vrije economie en vrije politiek. Het verschil in politiek klimaat en sfeer was immens. Redelijke politici, vriendelijke en hulpvaardige mensen. De politie was je beste vriend – je hoefde je nergens te legitimeren en je werd niet gevolgd door de staat.

Maar Nederland is in die twintig jaar veranderd. En de toenemende grip van de staat op de burger bezorgt mij een déjà-vugevoel.

Het altijd verplichte legitimatiebewijs (nu met vingerafdrukken!), het opslaan en bewaren van het telefoon- en internetverkeer, het opzetten van Elektronisch Patiënten/Kind Dossier, de ov-chipkaart en straks het rekeningrijden stelt de overheid in staat elke stap van haar burgers te volgen. Zoals al bekend is, de beveiliging van deze systemen verre van sluitend.

De overheid beweert dat ze uitsluitend worden gebruikt voor het beoogde doel. Maar je moet wel naïef zijn om dat te geloven. De koppeling van gegevensbestanden vindt nu al plaats zonder dat de burgers daarin gekend worden. De staat weet al wat ik doe, wat ik verdien, waar ik woon, waar ik werk en welke boodschappen ik doe, met wie ik bel, hoe ik internet, welke televisieprogramma’s ik bekijk, wat mijn vingerafdrukken zijn, bij wie ik verzekerd ben en aan welke kwalen ik lijd, welke medicijnen ik gebruik, waar naartoe ik de afgelopen woensdag met de bus ben geweest en welke vrienden ik bezoek met de auto. Camera’s op straat leggen mijn bewegingen voor weken vast.

Ik realiseer me dat een deel van de bovenstaande zaken voortvloeit uit Europese wetgeving. Maar de ijver waarmee deze in Nederland wordt toegepast, beangstigt mij.

In alle voormalige Oostbloklanden zaten wij toentertijd in hetzelfde systeem gevangen, het systeem dat stoelde op het volgen en het controleren van de burgers, van hun daden en hun gedachten. De gigantische infiltratiemachine die in elk communistisch land bestond, maakte het voor de machthebbers mogelijk om opponenten, hun familie, vrienden en kennissen op de voet te volgen. Veel vindingrijkheid en vernuft was nodig voor dissidenten als Adam Michnik of Vaclav Havel om uit handen van de veiligheidsdiensten te blijven en het lukte ook lang niet altijd.

Als de veiligheidsdiensten – of die nu Stasi, UB of Securitate heetten – een fractie van de mogelijkheden hadden die nu tot de beschikking van de Nederlandse staat staan, dan was er geen onafhankelijke vakbond Solidarnosc in Polen ontstaan, geen Fluwelen Revolutie in Tsjechoslowakije, geen demonstraties in Leipzig en geen val van de Berlijnse Muur. Dan zat iedereen allang in een gevangenis.

Het is gevaarlijk om de overheid de instrumenten in handen te geven om haar burgers te kunnen controleren ten dienste van – ja van wat eigenlijk? Terrorismebestrijding? Veiligheid op straat? Filebestrijding? De technologische vooruitgang kan niet gestopt worden, maar de toepassing ervan moet kritisch bekeken worden.

Czeslaw Milosz, Poolse schrijver en Nobelprijswinnaar, zei in De geknechte geest: „Mensen die uit de volksdemocratische landen wegvluchten, geven doorgaans als voornaamste reden op dat het daar psychisch niet uit houden is”.

De vervolging hoeft nog niet reëel te zijn, maar de wetenschap dat al die gegevens die over ons verzameld worden, op een dag ook daadwerkelijk gebruikt kunnen worden, bezorgt veel mensen een onbehaaglijk gevoel. De sfeer in dit land wordt steeds beklemmender.

Hanna Rennings-Kroze studeerde in Polen geschiedenis. Zij is administratief medewerkster bij een installatiebureau.