Beroeps-Rotterdammer en wereldverbeteraar

Hij geeft geen vis, maar een hengel. Sander de Kramer zet zich op allerlei manieren in voor de zwakkeren in de samenleving. „Hij kijkt met zijn hart.”

In het ouderlijk huis in Krimpen aan den IJssel gaat ’s nachts de telefoon. Zoon Sander aan de lijn vanuit West-Afrika. „Zegt-ie: pa, ik lig hier in m’n lemen hut met een schorpioen boven m’n bed. Is dat beest gevaarlijk?”

Op zulke momenten vraagt Piet de Kramer (67) zich af of zijn jongste zoon beseft in welk avontuur hij verzeild is geraakt. „Hij wil goed doen, altijd en overal, maar ik zeg vaak tegen hem: denk ook aan jezelf.”

Dat doet Sander de Kramer (36), naar eigen zeggen, zo goed en zo kwaad als dat gaat in het door burgeroorlog getekende Sierra Leone. „Maar kan ik het helpen als er plotseling een gifslang opduikt vanuit het struikgewas?” Hij heeft zijn hart verpand aan het land dat door de Verenigde Naties in 2002 werd uitgeroepen tot ‘de slechtste plek op aarde’. Zelfs zijn vliegangst („mijn grootste handicap”) weerhoudt hem niet van bezoeken aan de voormalige slavenkolonie, waar hij inmiddels een eigen hut, genaamd Rotterdam Corner (kosten 750 euro), bezit. Zijn missie? Kinderen, van wie de meesten oorlogswezen, bevrijden uit de diamantmijnen en helpen een nieuw bestaan op te bouwen. Te beginnen in de schoolbanken.

Welzijnswerken in Afrika is slechts een van de vele bezigheden van De Kramer. Schrijver, columnist, tv-presentator, hoofd- en eindredacteur, beroeps-Rotterdammer, fondsenwerver, hulpverlener, wereldverbeteraar, journalist en praatpaal – hij is het allemaal. „Sander is heel veel, maar de rode draad is: hij helpt de verdrukten van deze maatschappij”, zegt zijn boezemvriend, de Rotterdamse publicist en columnist Hugo Borst. De Kramer heeft hem „anders naar de wereld doen kijken”, erkent de voetbalanalyticus. „Ik keek jarenlang met mijn onderbuik, hij kijkt met zijn hart. Dankzij hem besef ik dat junks ook mensen zijn; mensen bovendien met een verhaal.”

„Voor zijn niet-aflatende inzet voor de zwakkeren in de samenleving” – een citaat uit het juryrapport – ontving De Kramer afgelopen donderdag de hoogste onderscheiding die ‘zijn’ Rotterdam kent: de Laurenspenning. De prijs wordt sinds 1959 uitgereikt aan mensen die zich voor de Rotterdamse samenleving inzetten op het gebied van kunst, cultuur en het maatschappelijk leven. In de drukbezochte Laurenskerk betoverde zijn idool Ramses Shaffy de aanwezigen vanachter de piano. Zelf sprak de hoofdredacteur van het Rotterdamse Straatmagazine van „een dubbel gevoel”. Mooi, zo’n blijk van waardering, maar zijn uitverkiezing gaat voorbij aan al die andere en veelal anonieme hulpverleners, stelde hij in zijn dankwoord. Aan hen droeg hij zijn prijs op.

Het applaus kwam donderdag, opmerkelijk genoeg, van zowel links als rechts: de PvdA én Leefbaar Rotterdam. De politieke aartsvijanden waren beide prominent aanwezig in de kerk. Daaruit blijkt volgens Borst de grootste kracht van De Kramer: „Hij is zo oprecht in zijn bedoelingen dat-ie in staat is de grootste tegenpolen bijeen te brengen en, als het nodig mocht zijn, met elkaar te verzoenen.” Ook het bijna kinderlijk aandoende enthousiasme werkt aanstekelijk. „Hij pakt iedereen in met zijn John Travolta-glimlach”, zegt Borst.

Geen wonder dat sommige politieke partijen (PvdA, GroenLinks en SP) al jaren aan hem trekken. Maar De Kramer laat zich niet overhalen, weet de Rotterdamse partykoning Ted Langenbach. „Sander wil niet één keer winnen, hij wil elke dag winnen, en als onafhankelijke geest kan hij dat beter dan wanneer hij gevangen zit in een of andere partij.”

Desondanks meent Borst dat zijn vriend „vroeg of laat de stap naar de Tweede Kamer moet wagen, want als er iemand is die iets kan afdwingen, dan is hij het wel”. Piet de Kramer waagt dat te betwijfelen. „Sander kan iemand geen mes in de rug duwen; dat zit niet in zijn aard. In de politiek ontkom je daar soms helaas niet aan.”

De naastenliefde van zijn zoon kwam al vroeg aan het licht. Op zijn achtste zamelde De Kramer speelgoed in en plunderde hij de voorraad Roosvicee van zijn vader, destijds werkzaam bij levensmiddelenconcern Sara Lee. Voor tien cent per bekertje kon de buurt de dorst lessen. De opbrengst was bestemd voor kinderen in het achtergestelde Polen. „Mooi gebaar, maar dat hij ook het bier uit mijn koelkast aan de buurtvaders verkocht, vond ik minder”, lacht Piet de Kramer.

Op zijn twaalfde raakte zijn jongste zoon voorgoed in de ban van wat hij tot op de dag van vandaag „mijn oerwoede” noemt. „Ik stond samen met wat vriendjes in de rij bij een bioscoop toen een zwerver mij om een gulden vroeg. Het was de omgekeerde wereld: een volwassene die een kind om geld vraagt.” De vraag hoe een mens zo kan afglijden op de maatschappelijke ladder heeft hem sindsdien niet meer losgelaten.

Twee jaar geleden verscheen het magnum opus van De Kramer: Van miljonair tot krantenjongen. Het boek beschrijft de levensverhalen van succesvolle mensen die door een wrange speling van het lot aan de zelfkant van de maatschappij terecht zijn gekomen. Zoals de therapeut die, verteerd door verdriet na de dood van zijn tweejarige dochtertje, van zijn vrouw vervreemdt en de eenzaamheid van het bos verkiest. Wat De Kramer vooral wil duidelijk maken, is dat het leven boordevol schijnzekerheden zit; één fout of één ongelukje en de wereld kan zomaar op zijn kop staan. Van het boek zijn inmiddels ruim 50.000 exemplaren verkocht.

Zijn sociale inborst heeft De Kramer van zijn moeder Magda. Al zolang hij zich herinnert, bekommert zij zich als zwemlerares om de gehandicapte medemens. „En als Afghaanse vrouwen willen zwemmen, zorgt zij ervoor dat de ramen worden afgeplakt”, zegt hij met gepaste trots. Maar het zakelijke instinct heeft hij naar eigen zeggen van zijn vader. Die zegt op zijn beurt dat zijn zoon „zo links en rechts” nog wel wat te leren heeft. Piet de Kramer: „Sander is een artiest en artiesten laten zich niet in een keurslijf dwingen. Maar hij moet zo langzamerhand toch echt eens leren om op tijd te komen op een afspraak.”

Verstand van financiën zegt De Kramer bovendien niet te hebben. Sinds 2001 belt hij „elk jaar trekkebenend” aan bij zijn vriend en belastingadviseur Dick Molenaar. Die brak acht jaar geleden na een onbesuisde actie het been van De Kramer op het voetbalveld. Molenaar suste zijn schuldgevoel met de belofte om het slachtoffer de rest van diens leven gratis bij te staan met financiële adviezen. „En ik probeer hem soms wat af te remmen, want hij heeft de neiging om door te schieten in zijn enthousiasme’’, zegt Molenaar. Hij is tevens penningmeester van de Sunday Foundation, de motor achter het succesvolle hulpverleningsproject in Sierra Leone. Inmiddels zijn al ruim vijfhonderd kinderen ‘bevrijd’.

De Kramers metgezel in West-Afrika, Kamara Mohamed Foday, was de afgelopen week op bezoek in Nederland. „Sander durft en Sander begrijpt ons continent”, zegt hij in een Rotterdams café. „Je moet Afrikanen geen geld geven zonder een tegenprestatie te vragen, want dan blijven ze arm en lui.” Kortom: geef geen vis, maar geef een hengel, zodat de armen van deze wereld zelf vis kunnen vangen. Dat is het motto van De Kramer: mensen helpen door zichzelf te laten helpen. Dat is ook het idee achter de straatkrant, die medio jaren negentig mede door zijn toedoen ook buiten de vier grote steden werd opgezet en door daklozen aan de man wordt gebracht.

Vrienden en bekenden roemen vooral het inlevingsvermogen van De Kramer. Hij is geen welzijnswerker-op-afstand, die zich om vijf uur ’s middags terugtrekt in zijn eigen veilige wereld. Hij woont in een sobere woning in Capelle aan den IJssel, waar wel eens een dakloze overnacht, en leefde acht jaar geleden zelf vrijwillig een maandlang als zwerver op straat. „Participerende journalistiek”, noemde hij dat later.

Zes jaar geleden stond De Kramer aan de wieg van het eerste WK voetbal voor daklozen. Vanuit de rotsvaste overtuiging dat sport het zelfbewustzijn sterkt. Vorig jaar haalde hij („Met afstand de zwaarste logistieke operatie uit mijn leven”) het zogenoemde amputatievoetbalteam uit Sierra Leone naar Nederland. Voor een – door de Afrikanen gewonnen – duel tegen een elftal met onder anderen de cabaretiers Najib Amhali, Jan-Jaap van der Wal en Theo Maassen. Uit dank gaf de dolgelukkige aanvoerder van de ‘stokvoetballers’ zijn zoon later de naam Sander.

„Omdat hij een jongen van het leven is, weet hij altijd een interessante bijdrage te leveren”, stelt SP-voorman Jan Marijnissen. Hij leerde De Kramer zes jaar geleden kennen. „Sander is een jongen die zich openstelt voor de ander én goed kan organiseren. Dat is een erg nuttige combinatie.” Zijn partij nodigt hem sindsdien regelmatig uit om een tegengeluid te horen.

Opvallend, temeer omdat De Kramer columns schrijft voor een krant die niet bekend staat om zijn linkse idealen: De Telegraaf. Zelf wuift hij die woorden weg. De Kramer heeft „niets met de termen links en rechts”. Bovendien: „Bij De Telegraaf bereik ik meer met mijn schrijfsels dan bij het dagblad Trouw.” Dat pragmatisme is tekenend voor De Kramer, zegt Hugo Borst. „Hij is een humanist, geen missionaris die zijn goedertierenheid overgiet met een religieus sausje. Gelukkig niet, want anders was ik allang op hem afgeknapt.”

Minpuntjes signaleert Borst ook. Zeker op het voetbalveld. Beiden maken deel uit van WIA 4, een vriendenteam bestaande uit bekende (Joris Lutz, Emile Schelvis) en minder bekende Rotterdammers. „Eén tikkie en Sander schreeuwt moord en brand.” Daarnaast is zijn vriend „redelijk ijdel” en ontpopt hij zich geregeld als „een enorme controlfreak”. Borst, grijnzend: „Maar van hem kan ik veel hebben, dus ik vind het prima.”

De Kramer beschikt over „een indrukwekkend netwerk”, weet Borst. Vooral in zijn geboortestad Rotterdam. „Als wij samen op straat lopen, word ik daar wel eens moe van. Op elke hoek van de straat is het: hé ouwe dibbes!” Het zijn niet alleen de dak- en de thuislozen die De Kramer aanklampen. Afgelopen zomer riep Ahmed Aboutaleb de hulp in van Rotterdams bekendste hulpverlener. Borst: „Onze nieuwe burgemeester wilde heel graag ‘ons Rotterdam’ zien, dus zijn we een middagje met z’n drieën door de stad gereden in die versleten bak van Sander.”

De Kramer laveert tussen ernst en luchtigheid. Morgen presenteert hij zijn boek Botsauto door Rotterdam, een verhalenbundel die is doorspekt met woordgrappen. Oud-voetballer Paul Bosvelt maakte de tekeningen. Het boek is niet alleen bedoeld om geld te genereren voor de Sunday Foundation, het is óók een vlucht, bekent De Kramer. „Ik zie en hoor zoveel ellende dat ik af en toe een uitlaatklep nodig heb. Wie in dit vak cynisch wordt, is niets meer waard.”

Rotterdam, volgens De Kramer „Absurdistan aan de Maas”, biedt hem het benodigde tegengif. „Geen stad ter wereld die zoveel hilarische dingen bedenkt.” Neem het voorstel van oud-raadslid Manuel Kneepkens van de Stadspartij, zegt De Kramer. „Rotjeknor moest volgens hem Rotjesnor worden, en dus moesten alle mannen in de stad hun snor laten staan. Echt gebeurd, verzin ik niet. Magnifiek!”

Tegenover die joligheid staat een somberheid die, aldus De Kramer, de laatste jaren aan kracht wint. „Ik word niet vrolijker als ik lees dat onze kroonprins Willem-Alexander ‘op piratenjacht’ gaat. Hij heeft geen benul van al die varende visfabrieken die de zeeën leegvissen, en waardoor de Somaliërs zijn aangewezen op andere bronnen van inkomsten. Waar is de nuance?”