Zwelgen

Als je een goeie ouwe vriend voorstelt vanavond eens te gaan zwelgen, wat ben je dan van plan, wat stel je je erbij voor? Eerst naar een café om goed in de zwelgstemming te komen en dan naar een restaurant met minstens één ster: oesters, Chablis, hertebiefstuk, bourgogne, camembert, dan nog iets met gesmolten chocola en een glaasje Rémy Martin.

Misschien ziet het er wat amateuristisch uit. Ik ben geen geboren zwelger, maar wel heb ik er altijd grote belangstelling voor gehad, om het bescheiden te zeggen. Van kindsbeen af. De Batavieren die zich met zelf gebrouwen bier tot hun kruin toe vol zopen; de schilderijen van Jan Steen waarop de huisdieren meezwelgen; en in de Avonturen van Baron von Münchhausen een koning die zo dik is dat hij niet meer op eigen kracht kan ademen, zodat twee knechten met blaasbalgen de zuurstof in zijn neus moeten blazen. Zwelgen heeft voor mij altijd iets beklagenswaardigs gehad. Een zelfvrijheidsberoving.

Een paar keer heb ik hier een stukje geschreven over het eigentijdse overgewicht, de dikke mensen. Het zijn er steeds meer en ze worden steeds dikker. Nadat de overheid het had ontdekt, werd er tot een campagne besloten, met als slagzin: ‘Maak je niet dik.’ Hielp niet. Fabrikanten van snoepgoed en vet voedsel werden tot bescheidenheid in hun reclame gemaand. Ook vergeefs. Op straat zag je steeds meer reddeloos vervette kinderen vergeefs proberen hun magere vriendjes bij te houden. Zo kon het niet verder gaan.

Vijf jaar geleden werd er een ‘Convenant overgewicht’ gesloten tussen de overheid en een gezelschap van goedwillenden, met als voorzitter Paul Rosenmöller. Deze week is het eindrapport verschenen. Toen de acties begonnen, was 40 procent van de volwassen Nederlanders te zwaar en 10 procent veel te zwaar. Nu is het 46 procent, het percentage echte obesitaspatiënten is gestegen tot 11. Maar men verliest de moed niet. Over vijf jaar moet Nederland de gezondste jongeren van Europa hebben.

Ik help het de dames en heren wensen. Maar het zal moeilijk worden, want we leven in het tijdperk van het alzijdig zwelgen. Komt er iets binnen ons bereik wat ons, hoe dan ook bevalt, dan blijkt opeens dat we er niet genoeg van kunnen krijgen, en in deze maatschappij van de vrije markt worden we ogenblikkelijk op onze wenken bediend. Ik neem het nieuws op de televisie als voorbeeld. Begin dit jaar is bij Schiphol niet ver van de snelweg een vliegtuig van Turkish Airlines neergestort. Er waren veel ooggetuigen. Als je dat bent wil je nog eens datgene zien waarvan je getuige bent geweest. De journaalredacties namen het zekere voor het onzekere. Ik schat dat ik wel een paar weken iedere avond een paar keer die romp in het weiland heb zien liggen. Tragisch likkebaarden.

Nu hebben we de week van de massale griepprik voor kleine kinderen achter de rug. Ik geef het toe: het is een aandoenlijk, vertederend gezicht, zo’n bang kindje, huilend of ook wel dapper kijkend terwijl de naald in het armpje wordt gedreven. Maar, denk ik, heb je er twee of drie gezien, dan heb je ze allemaal gezien. Geen sprake van. Voor alle zekerheid heb ik de prikbeelden geteld. RTL4 en het NOS Journaal samen hebben de prik 28 keer vertoond. Ook kwam de Volkskrant met 9 foto’s van geprikt wordende kindertjes op de voorpagina. Ik heb er geen oordeel over, ik stel het alleen vast. Zwelgen in de wellust van de vertedering.

Toen kwam de tragedie van Urk. We hebben eerder van dergelijke drama’s gehad. Op 17 augustus 1996 werd Joes Kloppenburg, 26, in de Voetboogstraat in Amsterdam door vier jongens van zijn leeftijd vermoord. Die gruwel hoef je niet verder uit te leggen. In de media begon een massaal leed pompen. De plaats waar hij stierf is gemarkeerd door een gedenkteken. Aan het begin van de straat hangt een bordje met de mededeling, alleen in het Engels, dat dit ‘een zone van tolerantie’ is. Hopen dat het helpt.