Wij van de Veegpost

Ze ruimen het afval. Ze voelen zich als vuil behandeld. De straatvegers van Dordrecht. ‘Wij maken de stad schoon. Dat is niet niks.’

‘Hé, lamzak.” „Kan ik hier niet even rustig zitten?” „Ga dan buiten zitten, lamzak.” „Kutjong, flikker op.”

Een geintje voor het begin van de werkdag. Onschuldig. Zo gaan wij met elkaar om.

Wij zijn de mensen van de Veegpost. Wij vegen de straten van Dordrecht. Wij zuigen het straatvuil uit de riolen. Wij maken de prullenbakken leeg. Wij spuiten de pisplekken schoon. Wij slurpen de hondendrollen op.

Wij ruimen jullie troep op. Jullie zien het niet eens. Jullie liggen nog te slapen als wij ’s ochtends even na vijven de binnenstad inrijden. Jullie zitten voor de televisie als wij op vrijdag- en zaterdagavond het afval van de markt te lijf gaan. Jullie wankelen op Koninginnedag naar huis als wij de stad weer toonbaar maken. Jullie maken er een puinhoop van.

Wij zijn de mensen van de Veegpost. Wij staan in laag aanzien. Wij maken onze handen vuil.

Ons werk is simpel, zeker. Maar minder simpel dan jullie denken. Ook simpel werk kun je goed en kun je slecht doen. Ook vegen is een vak. Wij houden de stad schoon. Daarvan heeft iedereen plezier.

Nu krijgen we te horen dat we anders moeten werken. Sneller. Slechter. Wij zien de zin daarvan niet in.

We verzamelen in de kantine. Tafels met stoelen en een koffieautomaat. Eerst een peuk en een bakkie. De meesten van ons roken, ook al wordt dat door de leiding ontmoedigd. We mogen niet meer in de bedrijfsauto’s roken. Dat doen we toch.

Niet-rokers hebben in de kantine de grootste ruimte. Allemaal solisten. Ieder zit aan zijn eigen tafel. Zij bladeren in de Spits of Metro. Wij zitten in de kamer ernaast op elkaar gepakt.

„Goeiesmorgens.” De nieuwe bedrijfsleider komt binnen. Hij loopt meteen door naar zijn eigen kamer. Hij rookt niet, net zomin als de drie anderen van kantoor.

Een van ons staat op. Altijd staat er wel een van ons op. „De bladeren liggen op ons te wachten.” Wij zwermen uit over de stad.

Hij is geschoold als metselaar. Maar als leerling veegde hij liever de bouwplaats dan stenen te voegen. Vier keer had Rinus Munter (59) bij Gemeentereiniging gesolliciteerd voordat hij eindelijk werd aangenomen als veger. Of hij altijd veger mocht blijven? Dat konden ze niet garanderen. Ruim dertig jaar veegt hij al de straten van de wijk Dubbeldam.

Eerst veegde hij alleen met de bezem. De veegmachine meed hij. Bang iets fout te doen. De oude bedrijfsleider haalde hem over het toch te proberen. Toen zag hij ook wel dat je met een veegmachine veel meer straatvuil weg kon werken. Al vindt hij vegen met een bezem nog steeds het mooiste. Als hij thuis komt van zijn werk, pakt hij een bezem en veegt hij zijn straat.

Rinus rijdt op de 523, dat is een grote veegmachine. Hij wil niet dat jij je schoenen op het dashboard zet. „Dan krijg je vieze vegen. Daar kan ik niet tegen. Ik ben een zeikerd, hoor.” Hij vertroetelt zijn wagen „als een baby”, zegt hij. „Hoe kun je anders je werk goed doen.”

Rinus werkt samen met zijn vaste maat, Ronaldo Hous (46). De regen plenst in stralen uit de lucht. Ronaldo jaagt de bladeren van de stoep met de blazer die hij op zijn rug draagt. Hij blaast ze onder de geparkeerd staande auto’s uit. Hij legt ze klaar voor de veegmachine die de Eikenlaan maar op en neer blijft rijden om de toevloed te verwerken. Hij zorgt dat de ruggen niet te hoog worden. Anders kan de machine ze niet verwerken. Hij vist de takken tussen de bladeren uit. Anders raakt de zuigmond van de wagen verstopt.

„Een geweldige vent”, zegt Rinus over zijn maat van Sint Maarten met twee ringetjes in zijn linkeroor. „Nooit ziek. Ziet zijn werk. Blijft gaan.”

Rinus maakt zich zorgen over Ronaldo. Twaalf jaar werkt hij nu als uitzendkracht bij de Veegpost. Als hij zijn rijbewijs niet snel haalt, kan hij vertrekken. Zijn Nederlands is zo matig dat hij nooit zal slagen voor zijn theorie.

Ook Rinus is niet altijd goed te verstaan. Als 17-jarige jongen liet hij al zijn tanden trekken. „Mijn gebit zit niet. Nooit gezeten ook.”

Dat belet hem niet aan een stuk door te praten. „Ik spring van de hak op de tak. Ik flap er alles uit. Ik ken mezelf.” Tevreden rijdt hij door de straat waar hij urenlang geveegd heeft. „Prachtig toch. Zo schoon.” Al kan het beter. „Naar mijn smaak nog niet schoon genoeg.”

Ook als zijn werkdag er meer dan opzit, zal hij een straatje tot het einde vegen. „Dat geeft mij meer voldoening. Het ligt er morgen ook nog, zegt een ander. Dat weet ik ook wel. Maar weg is weg.”

Eerst heetten we GROD, Gemeentereiniging en Ontsmettingsdienst. Daarna Stadsreiniging. In 1996 gingen we op in Netwerk, een samenwerkingsverband van gemeenten. Zes jaar later werd Netwerk een bv, vervolgens een nv. Nog dit jaar wordt beslist of we opgaan in HVC, een veel grotere afvalverwerker. Wij vegen nog steeds.

Vroeger veegde elk gezin zijn stoepje. De gemeente onderhield de rest. Nu is er een bedrijf voor elk soort afval, elk soort klusje. Wij zijn niet de kauwgomverwijderaars van Gumbusters. Wij zijn niet de graffitibestrijders van Gevelreiniging. Wij zijn niet de gehandicapte of herintredende papierknijpers van Drechtwerk of BST. Wij zijn niet de bushokjespoetsers van een aannemingsbedrijf.

Wij zijn de Veegpost, de afdeling Reiniging van Netwerk. ‘Het afvoerputje van Netwerk.’ Zo staan wij binnen het bedrijf bekend. Was je rug te versleten om bij Inzameling achter de vuilniswagen te lopen, kon je altijd nog vegen. Was je te nerveus om een containerwagen voor Transport te rijden, was de Veegpost je laatste kans. „De onderste steen van de samenleving.” Op het hoofdkantoor praten ze zo over ons.

Kunstheup

Allemaal mankeren we wel wat, het is waar. Zeker de ouderen, en dat zijn de meesten. We zijn met 42, uitzendkrachten meegerekend. Een Turk, twee Antillianen, een Indonesiër, een Joegoslaaf. Verder allemaal Hollanders. Onze gemiddelde leeftijd is 52 jaar.

Neem Cees (61), die met zijn rechter been sleept. Hartpatiënt, suikerziekte, hoge bloeddruk. Hij wordt chagrijnig als hij niet kan doorwerken omdat zijn veegmachine steeds verstopt zit. Hij hoopt dat zijn 12 jaar oude kunstheup het houdt tot de VUT.

Kijk naar boomlange Cor (61), die steeds zijn hoofd stoot in zijn kleine elektrische afvalkar. Drie hernia’s gehad. Zolang hij maar niet lang hoeft te zitten, zolang hij maar met bladblazer of bezem kan blijven lopen, valt de pijn wel te harden. „Ik piep niet zo snel.”

Als een grote vriendelijke reus klost hij door de binnenstad van Dordrecht, kinderen behoedend voor gevaren waarvan ze nooit weet zullen hebben. Bij een school veegt hij glasscherven op zijn blik. Een plank met spijkers verdwijnt in zijn kar. De kachel in zijn wagen zet hij nooit aan omdat de accu anders te snel leeg is. „Bij mij moet het schoon zijn. Ik ben van de oude stempel. Dit beetje ik zit zo in elkaar.”

Ons maandsalaris ligt tussen de 1.350 en 1.400 euro netto. Daar kunnen we niet van leven. Daarom klussen we bij. Daarom werken de meesten over. Tien, twintig uur per week, of meer. Voor onze studerende kinderen. Om duiven te kunnen houden. Voor „het vrouwtje dat van kopen houdt”.

Wij zijn het afvoerputje.

„Je moet je eigen vermaken. Een ander doet het niet voor je. Ik ben de hele dag buiten. Lekker mensen kijken. Ik heb het perfect naar mijn zin.”

Wout van der Linden (60) heeft net het grootste plein in de binnenstad schoongespoten, voordat het straks weer vol staat met bevoorradingsauto’s. Wout kent alle vieze plekjes van Dordrecht. Waar gepoept, gepiest, gekotst wordt. Naast café De Sportbar. Naast café Le Bateau. Tegenover coffeeshop Indica. Ook de plaatsen waar gevunsd wordt. Een bekertje Citronel op 400 liter water en het ruikt weer fris. Wout ruimt het maandverband en de condooms wel op.

Om zeven uur bij de bushalte Centrum even kletsen met de verpleegsters die naar hun werk gaan. Wout is dol op vrouwen. Hij heeft overal vriendinnen. „Meid, wat zie je er weer prachtig uit.” Maar hij heeft zijn principes. „Buiten krijg je honger. Eten doe je thuis.”

Bushalte Centrum is ook de plaats om een sjekkie te roken met Cor, zijn maatje. Elke dag neemt Wout vier stuks fruit mee voor zwijgzame Cor die alleen woont. Aan sommige collega’s heeft Wout een hekel. Aan jongeren die azen op de banen van de oudjes. Aan mensen die geen donder uitvoeren zo gauw de baas zijn kont gekeerd heeft en niet eens in de gaten hebben dat ze de boel naar de kloten helpen. Een kleine minderheid. „Wel de rotte appels in de mand.”

En dan is het weer tijd om prullenbakken te legen. Meer dan honderd. Van papierbak naar papierbak rijden. Handschoenen aan. Uitstappen. Met de handen de kop van het afval flink aandrukken, zodat het er straks niet uitvalt. Met een speciale sleutel de papierbakhouder ontsluiten. Tikje aan de binnenkant van de bak zodat de houder openspringt.

Dan de papierbak lichten. Soms valt hij niet te tillen. Gevuld met puin. Soms heeft iemand de kattenbak erin geleegd. De stank slaat op je longen.

Soms hebben zwervers er haastig hun halfvolle blikjes bier in gedumpt bij het zien van de politie. Heb je daar geen erg in, krijg je die drank over je heen, als je de bak leegstort in je vuilniswagen. Ruik je de hele dag naar verschaald bier.

Bak terug in de houder. Instappen. Wout heeft nergens meer last van sinds hij een nieuwe knie heeft. Handschoenen uit. En starten maar.

„Hé, lelijkerd.”

„Heb je al eens in de spiegel gekeken.”

Lachen.

Tegen iemand die het kantoor binnenloopt: „Ga je weer likken?”

„Zal ik de frees eens op je wilde jongen zetten.”

„Hoor ik daar een mug?”

Samen schaften. Van twaalf uur tot kwart voor een. Iemand biedt zijn boterham met kipfilet aan, als een ander zijn brood met cornedbeef niet lust.

John, die op een van de hondenpoepwagens rijdt, vertelt over een oud-collega die na het werk altijd eerst een krat bier ging halen bij de Aldi. „Zoop hij allemaal op. Behalve drie flesjes om ’s ochtend nuchter te worden. Op een avond viel hij om. Ze hebben hem weg moeten rollen. Duwt alweer enkele jaartjes de bloemetje omhoog.”

De onrust begon misschien wel anderhalf jaar geleden met de verhuizing van de Veegpost naar een industrieterrein, weg uit het centrum. Sindsdien is het niet meer rustig geweest. Eerst kregen we te horen dat de gemeente Dordrecht het contract met de Veegpost niet verlengde. We konden onze banen verliezen. Dat was een jaar geleden, in de bladtijd, net zoals nu. Als het alle hens aan dek is en iedereen zich het schompes loopt te werken. We werden gek.

En net toen het contract te elfder ure toch weer voor vier jaar verlengd werd, voor een 10 procent lager bedrag dan eerst, kon onze oude bedrijfsleider niet meer. De man die de Veegpost 24 jaar lang had groot gemaakt. Opgebrand, na 47 jaar werken. In het zicht van de VUT.

„Loven en prijzen, schoppen en slaan, dan blijf je het langste bestaan.” Dat was zijn motto. Met half werk nam hij geen genoegen. Altijd moest je voor hem klaar staan. Hij stond ook steeds voor ons klaar. Hij kende onze achtergronden en geheimen. „We doen het voor elkaar”, zei hij altijd. Hij zei dat we „lotsverbonden” waren. Hij geloofde in saamhorigheid.

Mensen zijn viezeriken. Mensen in Dordrecht zijn de ergste. Wij kunnen het weten. Sinds ze niet meer in winkels mogen roken, ligt de binnenstad bezaaid met peuken. Geen vreettent zonder een spoor van zakjes, bakjes, flesjes, bekers. Wat er allemaal naast een prullenbak ligt. Terwijl hij niet eens vol is. Ze hebben allemaal dat boekje gelezen: Alleen op de Wereld. Hebben wij de straat strontvrij gemaakt, komt er weer een vrouw met vijf keffers. Leg het maar neer. Je moet oppassen in dit werk dat je geen hekel aan mensen krijgt.

Snakken naar ‘een beetje stress’

„Ze zijn altijd gepamperd”, zegt de nieuwe bedrijfsleider over de vegers. „Het zijn volwassen mensen. Ze moeten wennen aan een stukje zakelijkheid.”

Leon Kars (40) komt uit de haven waar hij zich bij een overslagbedrijf heeft opgewerkt. Hij zat „al een eind in de comfortzone” en snakte naar een „een beetje stress”. Die heeft hij gevonden bij de Veegpost. „Even een bakkie doen. Voordat ik weer word geleefd.”

Zijn voorganger wilde hem graag inwerken. Na een paar dagen vond Leon het wel genoeg. „Zijn aanpak stond haaks op mijn beleving hoe je deze tent moet leiden. Ik ontdek het liever zelf.”

„De Veegpost zal een behoorlijke inhaalslag moeten maken”, vindt de nieuwe bedrijfsleider. „De Veegpost heeft structuur nodig. Er staat geen afspraak op papier.”

De aan- en afrijtijden van de veegmachines moeten korter. Het is nergens voor nodig dat iedereen tussendoor twee keer per dag terugrijdt naar de Veegpost. Voor koffie en schaften. „De productiviteit moet omhoog.” Daarom wil de nieuwe bedrijfsleider volgend jaar een track and trace-systeem introduceren. Om van iedereen op elk moment te weten wat hij doet. „De helft van de mensen loopt er de kantjes af.”

En het ziekteverzuim van 14 procent moet omlaag. Hij laat de Veegpost niet langer als dumpplaats voor kneusjes gebruiken. Het personeel moet een gezonde mix zijn van jong en oud.

Er zal anders moeten worden gewerkt. Efficiënter. De nieuwe bedrijfsleider staat op van zijn bureau en pakt een geplastificeerde instructie over ‘schoonheidsgroepen volgens SNS normen’. Hij legt uit. „We maken het in de buitenwijken veel te schoon.” Dat is Schoon, klasse A. Maar de gemeente betaalt maar voor Schoon, klasse B. „Er mag best wat zwerfvuil blijven liggen. De borstels van de veegmachine hoeven niet steeds omlaag. We moeten beeldgericht werken.”

Nedo Dusic (55) zit in de niet-rokersruimte van de kantine, naast het raam dat zicht op de rokerskamer biedt. De deur tussen de twee vertrekken staat altijd open. Aan de andere kant van het raam hebben ze het over ziekte en dood. Iemand zegt: „Zo is het leven.” Nedo verzucht, tegen niemand in het bijzonder. „Dit is een imitatie van het leven. Anders was ik hier niet.”

Ooit lachte het leven Nedo toe. Hij onderwees Servo-Kroatische taal- en letterkunde aan een middelbare school in het mijnstadje Breza, vlakbij Sarajevo. Hij bezat een boerderij met molen, koeien, varkens, geiten, kippen. Hij hoefde nooit naar de slager of de bakker. Hij at van zijn eigen land.

Totdat in 1992 oorlog uitbrak op de Balkan. Van de ene op de andere dag was hij geen Joegoslaaf meer, maar orthodox-christelijke Serviër te midden van islamitische Bosniërs. De Bosniërs riepen hem op voor het leger. De Serviërs deden hetzelfde. „Maar ik wilde niet vechten. Had ik mijn leerlingen moeten doden voor de Servische zaak?”

Nedo vluchtte, net zoals zijn ouders, net zoals de meeste Serviërs in Breza. Hij werd door allebei de kampen als deserteur beschouwd.

Zijn zwaarste tijd was in het Nederlandse opvangcentrum, als enige Serviër tussen 150 islamitische Bosniërs. Daar ging de oorlog verder.

Hij was blij toen hij eindelijk een verblijfsvergunning kreeg en kon werken. Het eerste wat hem werd aangeboden, heeft hij aangepakt. Inmiddels werkt hij alweer 12,5 jaar in vaste dienst als veger. Zijn jubileumuitkering heeft hij net binnen: 650 euro bruto. „Toch mooi.”

Er is niemand bij de Veegpost die zoveel overwerkt als Nedo. „Moet werken”, is zijn credo. „Moet werken. Hard werken en hard leren. Zo ben ik opgevoed.”

Werken voor zijn oude moeder in de Republika Srpska, het Servische deel van Bosnië. Werken voor zijn studerende zoon. Zijn leven bestaat uit werken, eten en slapen. „Ik heb alleen maar mijn werkkleding nodig en mijn pyjama. Dat is geen klacht. Dat is een feit. Zo leef ik. Ik vind het niet moeilijk. Ik weet voor wie ik het doe.

„Wat je doet, moet je goed doen. Wij maken de stad schoon. Dat is niet niks. Dat is niet minderwaardig. Het is werk. Werken moet.”

„Hé, lamzak.”

„Kutjong.”

„Zal ik je gevel eens verbouwen? Wil je naar huis gaan met losse tandjes. Lelijkerd.”

„Wie breng je daarvoor mee, ouwe? Bij mij op zolder hangen meer van die ouwe lijken.”

Dit is geen geintje meer. De sfeer in de rokersruimte is vandaag om te snijden. De nieuwe bedrijfsleider wil de overuren terugdringen. Astrid is op het matje geroepen omdat ze te vaak ziek is.

„Je moet niet alles pikken.”

„Makkelijk praten. Drie keer op rapport en je kunt wieberen.”

We maken ons zorgen over Frank die de laatste dagen maar in zijn kantoor zit te chagrijnen. Frank is de enige van de twee coördinatoren die jaren met de vorige bedrijfsleider hebben gewerkt. Vier handen op een buik. Gisteren heeft Frank van de nieuwe bedrijfsleider op zijn donder gekregen omdat hij te solistisch zou werken. Vandaag hebben we Frank nog niet zien verschijnen. Frank is Frank niet meer.

„De nieuwe krijgt nog niet eenderde voor elkaar van wat de oude voor elkaar kreeg.”

„We zien hem ook nooit. Alleen op vrijdag. Hij zit vaker op het hoofdkantoor dan bij ons.”

„De oude bedrijfsleider was er voor het bedrijf. En voor de mensen. De nieuwe is er alleen voor het bedrijf.”

„We werkten vroeger beter. Gisteren moest ik ergens blazen, was er geen veegmachine.”

In het kantoor rinkelt de telefoon. Frank meldt zich ziek.

De enige vrouwelijke veger

Astrid van der Adel (40) veegt vandaag in de wijk Sterrenburg, met de veegmachine zeker 20 minuten rijden van de Veegpost. Astrid is de enige vrouwelijke veger. Getrouwd met een collega. Hun zoontje Brendan is gek op vegen en afval scheiden. Het zit in zijn genen. In haar buik reed hij acht maanden mee op de veegmachine. Een wagen zonder vering. Astrid legt beschermend de rechterarm om haar buik.

Bij een veegmachine heb je vijf ogen nodig. Een voor de bewegende ‘voorbezem’ die het vuil langs de stoeprand naar de vaste bezems wervelt. Die het op hun beurt naar de zuigmond onder de machine vegen. Je bedient de voorbezem met een joystick. Sturen van de wagen doe je met je linkerhand.

Een tweede oog heb je nodig voor het beeldscherm dat je een blik achter de wagen gunt. Heb je bladeren laten liggen? Een derde oog om door de doorzichtige plaat in de vloer te kijken naar de zuigmond. Kan hij de toevloed verwerken? Ook wil je een vierde oog voor de buitenspiegels voor het achteropkomend verkeer. En een vijfde oog om recht vooruit te kijken. Zodat je niet tegen geparkeerd staande auto’s botst.

Astrid houdt zich niet aan de regels. Ze rijdt zomaar op de stoep. In deze wijk wonen veel oude mensen. Astrid wil niet dat ze uitglijden en hun benen breken door de natte bladeren. „Dag meneer.” Astrid praat altijd in zichzelf. „Fijn hè, zo’n schone stoep.”

„Het zal toch niet waar zijn.” De wagen zit weer vol. Dus alweer naar de stortplaats. „In de bladtijd blijf je storten. Je rijdt meer dan dat je veegt.”

Coördinator Frank Roest (42), spreek uit ‘Frenk’, is weer beter. Als alle koffiedrinkers weg zijn, trekt hij zich terug in de rokersruimte. Hij rookt niet eens. Frank moet wat kwijt.

„Vroeger zat ik met een bak koffie tussen de jongens. Ik besprak van alles tussendoor. Nu moet ik officieel een bijeenkomst beleggen. Die heet dan toolboxmeeting. Daar moet ik een verslag van maken. Zorgen dat iedereen zijn handtekening eronder zet.”

Vroeger was hij 70 procent van zijn tijd op straat. Mensen op weg helpen, sturen, controleren. Nu zit hij 70 procent van de tijd achter de computer. Steeds meer administratieve handelingen te doen. Het zicht op het werk raakt hij kwijt. „Ik hoor op straat. Daar gebeurt het. Daar haal ik winst voor het bedrijf.”

Frank krabt aan zijn kin, strijkt eens door zijn stekelhaar. Ja, hij ligt met de nieuwe bedrijfsleider in de clinch. Hij raakt steeds verder met zichzelf in de knoop. Hij wil niet langer meegaan met „de golven van het bedrijf”. „Dat is slecht voor de Veegpost.”

Het zijn de mensen die de Veegpost maken. Dat wordt vergeten. De productiviteit verhogen? Best. Maar dan moet je wel de mensen kennen en de manier waarop ze werken. Daar speel je op in. „De jongens willen wel veranderen. Als ze verbetering zien.”

Tot voor kort was de Veegpost één grote familie. Je kon elkaar vertrouwen. Je werkte voor elkaar. Frank denkt terug aan die dag dat zijn eerste dochter werd geboren. Zijn vrouw had net gebeld dat de vliezen waren gebroken. Toen belde Rinus. Dat hij gestrand was met zijn veegmachine. Frank ging eerst die jongen helpen. Het was maar een kwartiertje. „En mijn vrouw maar puffen.” Zo ging dat.

„Met het vertrek van de oude bedrijfsleider zijn de jongens hun tweede vader kwijtgeraakt. En ze zien hoe het ouderlijk huis wordt afgebroken.”

De eerste vegers sloffen de kantine binnen. Frank blijft hangen. Voor het eerst in twee weken zit hij weer tussen de jongens. Voor het eerst in twee weken oogt hij op zijn gemak.

„Hé, pokkenjong.” Een van de vegers tegen Frank die onmiddellijk breed begint te grijnzen.

„Dat mag jij zeggen.”

Even herleeft de oude Veegpost.

Wij weten wel beter. Wij hebben onze tijd gehad.