Vliegende flessendoppen

Albatrossen voeren hun jongen met plastic afval. Chris Jordan fotografeerde de gevolgen op de Midway atol. Terugkerend thema: de wegwerpaansteker.

Drie regels legde fotograaf Chris Jordan zichzelf op bij het vastleggen van een modern natuurverschijnsel. In september 2009 nam hij foto’s van overblijfselen van albatroskuikens en van hun maaginhoud op de Midway atol, een kleine eilandengroep in de Grote Oceaan.

Regel 1. Niets toevoegen.

Regel 2. Geen arrangement, geen manipulatie voor beter beeld.

Regel 3. Niets dramatiseren aan de houding van de dode vogel.

Laysan-albatrossen hebben pech. De Grote Oceaan – de idyllische Stille Zuidzee van vroeger – staat tegenwoordig te boek als ‘de grote vuilnisbelt’. Er drijft dicht opeengepakt plastic afval met een totale oppervlakte zo groot als de VS.

De vogels zien daar weinig kwaads in. Ze vissen aansprekende onderdelen eruit en voeren die hun jongen. Aanvankelijk tevreden werken de jongen het aangebodene naar binnen. Kleurig plastic, wegwerpaanstekers, snijresten van de Aziatische teenslipperproductie, speelgoedpoppetjes of visdraad.

Soms gaat het goed, en geeft het jong verkeerd vallend voedsel weer op. Maar plastic in de maag geeft wel een lekker gevuld gevoel. Dus vaak denken de vogels niet aan opgeven. Als hen iets erg dwarszit wel, maar dan lukt het juist weer niet. Langwerpige voorwerpen, zoals tandenborstels, zijn lastig.

En bij te veel herhaling ligt het vervolg voor de hand. Verstopping, beschadiging, vergiftiging of verstikking. En sluipender: dat volle gevoel, waardoor kuikens zich verzadigd voelen en maar even niet bedelen. Een uur later is het nog hetzelfde, enkele dagen later ook nog. Ze bedelen niet en krijgen ook niks goeds meer binnen.

Kleurige verzamelingen

Sommige vogels bedelen wel door, en leggen inwendig een onwaarschijnlijk uitgebreide verzameling afval aan. Tientallen flessendoppen, gelardeerd met wegwerpaanstekers, potjes zalf, parfumverstuivers. Er zijn verrassende persoonlijke records, maar minstens zo indrukwekkend is de grootschaligheid van het probleem. Jaarlijks sterven daardoor tienduizenden vogels. Gelijktijdig met Jordans beeld verscheen een studie van de Universiteit van Hawaï naar de afvalecologie van Laysan-albatrossen. Niet op Midway, maar op de Kure atol en rond Oahu, Hawaï.

Albatrosjongen die uitvliegen geven een ‘bolus’ op – een braakbal met onverteerde voedselresten. Waarschijnlijk doen ze dat maar één keer, net voor het grote moment dat ze op de vleugels gaan. Die bolussen kun je een etmaal laten weken en dan uitpluizen. Normaal vind je er visresten in, snavels van inktvissen, de harde lenzen van inktvisogen, of wat viseitjes en stukjes puimsteen. In alle braakballen vinden onderzoekers nu ook plastic.

Dat komt enerzijds door de veelzijdige belangstelling voor voedsel van Laysan-albatrossen (Phoebastria immutabilis), met een oude voorkeur voor ronddrijvend aas, kreeftachtigen met harde kantjes en soms kleurige vis. En daar komen twee nieuwe verschijnselen, die een plaats in een moderne atlas verdienen, bij: The Western Garbage Patch en The Eastern Garbage Patch, de twee opvallendste verzamelpunten voor langzaam ronddraaiend drijfvuil.

Chinese opschriften

Geboeid hebben onderzoekers bekeken waar het spul allemaal vandaan komt. Op sommige eilanden bevat haast alle speelgoed in verteerde vogelmagen Chinese opschriften. Op andere eilanden juist weer niet, daar gaat het om westerse prullen. Wegwerpaanstekers komen vaak van vissers op de noordelijke Stille Oceaan, evenals stukken net, draad of flappen canvaszeil. Met speelgoed is dat onwaarschijnlijker, dan gaat het om gewoon afval van het vasteland. En de flessendoppen? Die kunnen werkelijk overal vandaan komen, van vele duizenden zeemijlen verder. En zo verbinden de onderzoekers betekenis aan deze langzame slachting. Weet wat je weggooit en waar. Het kan nog heel ergens anders terechtkomen.

Gelukkig worden albatrossen oud. De oudst aangetroffen broedende Laysan-albatrossen zijn in de vijftig. Jonge broedparen kunnen dus nog vaak hun ene jong raadselachtig te gronde zien gaan totdat we de vuilnisbelt hebben opgeruimd. Nog twee patches. En geen nieuwe aanvoer. Dat wordt nog lastig.

En wat mogen we van deze albatrossen zelf verwachten? Niet veel. De manier waarop ze voedsel zoeken voor hun jong is evolutionair verankerd – en nu opeens hopeloos verouderd. Snelle verbetering zit er niet in. Sommige diersoorten passen zich verrassend soepel aan bij nieuwe ontwikkelingen, Darwins selectie vergt dan weinig tijd. Maar dat geldt bij dieren die alles snél doen. Met voortvarende voortplanting, korte generatietijden en liefst ook brede genetische uitwisseling door links en rechts te paren.

En albatrossen? Die zijn ouderwets ongehaast. Statig, er niet op rekenend dat hun wereld verandert. Ze beginnen laat met broeden, en doen dat levenslang in verknochte monogame stellen. Slaan samen af en toe eens een jaartje over. En worden oud, wat nu opeens een nadeel is. Nee, albatrossen zijn niet van de snelle aanpak. De aanpassing zal van ons moeten komen.