Tomatenpuree en gesluierd verlangen

Op festival ‘Dancing on the Edge’ is dans en theater uit het Midden-Oosten te zien. Israëliërs willen niet samen met Iraniërs of Syriërs in één hotel, maar staan wel op één festival.

Drie kilo tomatenpuree staat er op het lijstje benodigdheden voor de dansvoorstelling Äataba. De beelden die choreograaf Taoufiq Izzediou creëert over het lijden van de vrouw in de Marokkaanse samenleving, zijn dan ook even plastisch als symbolisch. Zo belooft de tweede editie van het tweejaarlijkse festival Dancing on the Edge, met dans en theater uit het Midden-Oosten, wel meer verrassingen.

Bij het duet Charisma van de Iraanse choreografe Pegah Tabassinejad komen bijvoorbeeld onweerstaanbaar associaties met Rosas danst Rosas op; het werk waarmee de Vlaamse Anne Teresa De Keersmaeker begin jaren tachtig doorbrak. Twee gesluierde vrouwen herhalen, gezeten op stoeltjes, dwangmatig gebaren van verlangen en frustratie.

„Jaaa! Anne Teresa De Tabassinejad!” beaamt festivaldirecteur Gary Feingold (52). Het oorspronkelijke plan was een Palestijns-Israëlisch dansfestival te organiseren. Al snel werd hem duidelijk dat dat niet zou lukken. De Palestijnse danskunstenaars piekerden er niet over om met hun ‘cipiers’ te dansen.

Inmiddels echter had hij veel dansvoorstellingen uit de regio gezien. En hij was aangenaam verrast: „Misschien is het technisch niveau van de dansers niet geweldig en zien de voorstellingen er niet zo gelikt uit als wij hier gewend zijn, maar ze zijn spannend. De urgentie is voelbaar. Het zijn persoonlijke statements over maatschappelijke vraagstukken die in het Midden-Oosten actueel zijn. De islam, de positie van de vrouw, de Palestijns-Israëlische kwestie. In feite dezelfde onderwerpen waarover we het in Nederland hebben.”

Met gevoel voor ironie prijst de Amerikaan zichzelf aan als: „Aardige Jodenjongen organiseert groot Arabisch festival.” Twee weken voor de festivalopening is hij nog druk bezig met visa voor zijn gasten uit Marokko, Libanon, Iran, Irak, Egypte, Jordanië, Syrië en Israël. Ook moet nog geld voor boventiteling worden gevonden – de meeste toeschouwers beheersen het Arabisch niet en zonder vertaling missen ze veel: „In 2007 hadden we nog geen boventiteling, maar er werd hier en daar wel gelachen. Er zaten dus ‘Nieuwe Nederlanders’ in de zaal!” Hij benadrukt grijnzend zijn politiek correcte taalgebruik. Niet zonder trots meldt hij dat bij de eerste editie van zijn festival 41 procent van de bezoekers geen deel uitmaakte van het reguliere danspubliek. „Voorstellingen met een politieke lading bereiken andere doelgroepen. Moderne dans wordt door hen soms als saai en ontoegankelijk gezien.”

Feingold selecteert op kwaliteit, maar er moet sprake zijn van een sociaal-politieke inhoud. Vandaar dat er maar twee inzendingen uit Israël zijn opgenomen, waar de danscultuur westers georiënteerd is en dus te gewoon voor dit festival. Desondanks moet Feingold op kousevoeten met de aanwezigheid van die paar Israëliërs omspringen, ook al zijn het Arabische Israëliërs. Samen met Iraanse of Syrische collega’s in één hotel is bijvoorbeeld nog steeds taboe.

Hij hoopt dat bij het Nederlandse publiek wat vooroordelen op losse schroeven komen te staan. Zelf merkte hij dat de meeste goede inzendingen afkomstig waren van vrouwen. „Voor mij was het een verrassing dat in de islamitische wereld zo veel vrouwen met theater bezig zijn. Dat wijkt af van het beeld dat wij hier hebben.”

In Beiroet en Kaïro, ontdekte Feingold, is veel mogelijk, meer dan in Ramallah of Damascus. Iran is uiteraard het lastigst. Daar zou de Braziliaanse danser en poppenspeler Duda Paiva nooit kunnen spelen – zijn schuimrubberen poppen zijn naakt. In het nieuwe stuk Cloud, dat hij met de Iraniër Yaser Khaseb maakt, doet Paiva het dan ook anders. Daarmee kan hij gerust naar Teheran.

Beperkingen creëren ook uitdagingen en de locale danskunstenaars komen, met dank aan hun culturele achtergrond, vaak tot verrassende en poëtische oplossingen. „Als mannen en vrouwen elkaar niet mogen aanraken, worden allerlei trucs met sluiers en doeken verzonnen om toch de suggestie te creëren.”

Intussen is het nieuwe festival in het buitenland opgevallen. Er is in deze editie gewerkt aan coproducties en coördinatie met diverse podia in Duitsland en het Parijse Théâtre de l’Agora. De directeur realiseert zich dat zijn festival, dat met veertien verschillende voorstellingen in vijf Nederlandse steden staat, ook aan het eigen succes ten onder kan gaan. „De regionale invalshoek van het festival is interessant, maar heeft ook een nadeel. Sommige producties staan ook op andere festivals. Maar van mensen die zonder een cent hun voorstellingen maken, kun je natuurlijk geen exclusiviteit eisen.”

Tot en met 13 december in Amsterdam, Groningen, Den Haag, Utrecht en Rotterdam. Inlichtingen: www.dancingontheedge.nl.