Lezen voor de president

Wat gebeurt er met de post voor de president? David Belsky las brieven aan Bill Clinton tot zijn ogen ervan bloedden.

Zoals in New York iedereen bezig lijkt te zijn om iemand anders te worden (de serveerster een actrice, de taxichauffeur een ondernemer), zo zijn veel Washingtonians stilletjes al iemand geweest. David Belsky werkt in de bibliotheek in mijn buurt. Hij staat achter de balie en bliebt een scanner over onze boeken. Een aardige, verlegen man.

Belsky, 51 jaar, droeg laatst een oude trui waar we allemaal van opkeken. Op zijn borst stond in goud geborduurd: Clinton Administration White House Staff.

„David!”, roep ik uit. „Je trui!?”

„Mja”, zegt hij verontschuldigend. „Die is uit mijn tijd op de correspondentieafdeling van het Witte huis. Alles zat in de was.”

Waarna ik uit hem moest trekken dat hij in acht jaar ten minste anderhalf miljoen brieven heeft bekeken voor Bill Clinton. Correspondentieanalist, noemden ze hem.

Ik nodig hem uit voor koffie. David kiest een chocoladecroissant, opgetogen als een schooljongen die nog niets heeft meegemaakt, terwijl hij later toch blozend zal opmerken: „Dankzij Monica Lewinsky heb ik nog nooit zoveel over seks gelezen als toen.”

We zijn dan twee uur verder en hij blijft praten. David Belsky is iemand die geen bijzaken kent. Dat komt door zijn vorige baan: hij mocht niets over het hoofd zien.

Hij begon na Clintons aantreden als vrijwilliger op de correspondentieafdeling, werd al snel in dienst genomen, en zou tot Clintons vertrek in 2001 blijven. Acht jaar lang bekeek hij, naast het schrijven van speeches voor presidentiële medaille-uitreikingen, ongeveer 800 brieven per dag.

Alle presidenten ontvangen bedreigingen, al krijgt Obama er vijf keer zoveel als gebruikelijk. Een groot deel daarvan komt binnen via de post. Denk dus niet dat uw brief op de grote hoop verdwijnt. Alles, zegt David Belsky, wordt uiterst secuur bekeken. Nou ja. Bijna alles.

„Er zijn twee soorten brieven die je eruit moet vissen. De goede inhoudelijke brieven en de dreigbrieven.” De inhoudelijke brieven turfde hij op onderwerp: wat speelde er onder de bevolking? Wekelijks schreef hij een samenvatting voor de presidentiële staf. De vijf brieven die per week het best verwoordden wat er speelde, belandden op het bureau van de president.

Niet alle post komt naar de correspondentieafdeling. Er is een selecte groep mensen in de wereld die een speciale code op de envelop zet („Ik mag niet zeggen welke, maar het is iets uit de postcode van het Witte Huis”). Die brieven gaan rechtstreeks naar de burelen van de president. „Maar ik kreeg een keer een brief van Jackie Kennedy Onassis in handen. Een heel persoonlijke brief. Daar was iets misgegaan.”

Erger waren vergissingen bij bedreigingen. „De dreigementen die de secret service het meest serieus neemt, zijn niet de rechtstreekse. De gevaarlijkste bedreigingen hebben de neiging ergens middenin een ogenschijnlijk gewone brief te staan. Plotseling duikt een passage op waarbij je denkt: „Uh-oh.” Zulke brieven worden in speciaal plastic verpakt, voor de vingerafdrukken, en naar de secret service gestuurd.

Gewone brieven krijgen een ‘P1-50’, het standaardbriefje: Dank voor uw reactie. Blijf alstublieft betrokken. „Maar ten minste één keer is per ongeluk een P1-50 gestuurd naar iemand die had aangekondigd de president te grazen te nemen.”

Hij kreeg gevoel voor handschriften. „Je leert nog vóór je leest te zien of iemand gevaarlijk is.” Hij verwierf er zekere faam mee binnen de Witte Huis-staf, dus men deponeerde zekerheidshalve steeds meer post bij hem. En hij voelde het gewicht van zijn verantwoordelijkheid toenemen.

Op een dag viel een druppel bloed op zijn bureau. Zijn ogen. Ze hebben hem naar de dokter gestuurd, die concludeerde dat David Belsky meer ontspannen moest gaan lezen. „De adertjes in mijn ogen begonnen te knappen.”

Maar hij kon nog maar weinig onbelangrijk vinden. „Het overweldigde me. Al die brieven door je brein. Thuis stortte ik in. Dan viel ik voor een uur of drie in een bijna bewusteloze slaap.” Pas daarna kon hij eten.

Zoveel toewijding, en toen Monica Lewinsky. Haar afdeling zat op dezelfde verdieping. „Iedereen liep met open mond rond. Monica? Mo-ni-ca!?” De correspondentieanalisten waren er kapot van. „We voelden ons toch een beetje de beschermheiligen van de president. En nu had hij ons verraden.”

Toch dacht hij geen moment aan ophouden. Zijn werk was al veranderd in een opdracht die je niet kon weigeren. Ook al volgden nog anderhalf jaar heel veel perverse brieven. „Mensen waren kwaad. Maar evenveel schreven enthousiast over hun eigen seksuele avonturen.” Hij heeft het allemaal plichtsgetrouw gelezen.

En toen het in 2001 ophield, kreeg hij een ‘persoonlijke’ brief van Bill Clinton. „Maar die was ondertekend door de autopen”, zegt David Belsky zacht.

Het apparaat dat een handtekening als echt namaakt. Een correspondentieanalist ziet alles.