'Ik wilde nooit over de oorlog praten'

Maandag staat John Demjanjuk terecht voor de moord op 29.000 joden in kamp Sobibor. Een van de slachtoffers was Bernhard Hellmann. Gesprek met zijn zoon Paul die ‘mede-aanklager’ is in het proces. ‘Nu kan ik me niet verschuilen.’

Vroeger, vertelt Paul Hellmann, wilde hij de mensen die zijn vader hadden vermoord, graag „een kopje kleiner maken”. Maar de tijd van wraak is voorbij. „Die machteloosheid moet je aanvaarden. Nu wil ik dat Demjanjuk verantwoording aflegt.”

Paul Hellmann is Nebenkläger (mede-aanklager) in het proces tegen John Demjanjuk. In München begint maandag het laatste grote proces tegen een verdachte uit de Tweede Wereldoorlog. De 89-jarige Demjanjuk werd in mei uitgeleverd aan Duitsland waar hij terecht staat voor de moord op 29.000 joden in het vernietigingskamp Sobibor. Eén van de slachtoffers was Bernhard Hellmann, de vader van Paul Hellmann.

In zijn woonkamer in Rotterdam staat oud-journalist Paul Hellmann (74) op en haalt een oud rood leren fotoboek te voorschijn. „Dit is mijn vader”, zegt hij. Een melancholiek kijkende jongeman met golvend haar en een keurige das. Paul Hellmann bladert door en laat een vergeelde doorslag lezen van een slordig getikte ongedateerde brief van het Nederlandse Rode Kruis. „Ik zet even thee.”

Onder het onderstreepte woord Bescheinigung (verklaring) staat – eveneens in het Duits – dat Bernhard Wolfgang Hellmann, geboren op 7 november 1903 te Wenen, op 30 maart 1943 in Westerbork werd gedeporteerd naar Sobibor in Polen. De brief meldt op grond van verklaringen van drie ex-gevangenen – drie van de achttien overlevenden van de meer dan „33.000 aus den Niederlanden nach Sobibor deportierten Personen” – dat vaststaat dat praktisch allen onmiddellijk na aankomst werden vermoord. Om deze reden mag worden aangenomen, zo staat er tot besluit, dat Bernhard Hellmann op of omstreeks 2 april 1943 het leven verloor, „vergast wurde und nachher kremiert”.

Later, in 1950, kwam er nog een Todeserklärung uit Oostenrijk, een document van dezelfde strekking, en slordig getypt, zegt Paul Hellmann. Na zijn arrestatie werd zijn vader overgebracht naar ‘Westerbock’ en ‘Sotibor’. „Nu kan ik het mij nauwelijks meer voorstellen, maar ik geloof dat de ondergang van mijn vader pas in volle omvang tot mij doordrong in de late jaren zeventig.”

Paul Hellmann bezocht samen met zijn vrouw het herinneringscentrum Westerbork en vroeg of ze de boeken met de geïnterneerden mochten inzien. Bij de letter H vonden ze namen van zijn vader en grootmoeder, maar ook zijn eigen naam met de aantekening ‘vermist’. „Ik stond waarschijnlijk in het paspoort van mijn vader”, zegt Paul Hellmann. „En straks sta ik misschien oog in oog met degene die mijn vader heeft vermoord. Ik weet nog steeds niet of ik dat aankan.”

Paul Hellmann is enig kind en groeide op in Rotterdam. Zijn vader werkte bij een Rotterdamse im- en exportfirma van textiel waar hij zich in het vak bekwaamde. Het idee was dat hij met de opgedane ervaring het familiebedrijf in Wenen zou kunnen overnemen. Pauls moeder was de dochter van een Joodse koopman uit Rusland die getrouwd was met een meisje uit Groningen.

Bernhard Hellmann was een ondernemer pur sang?

„Mijn vader wilde eigenlijk geen ondernemer worden, maar wetenschapper. Dieren waren zijn passie. Die interesse had hij gemeen met de zoöloog en etholoog Konrad Lorenz, van jongsaf aan zijn boezemvriend. Ze waren op hetzelfde uur geboren en gingen naar dezelfde scholen. Al vroeg hadden ze belangstelling voor het gedrag van dieren. Het begon als hobby, groeide uit tot een passie, en Lorenz besloot er zijn beroep van te maken. Mijn vader volgde dit voorbeeld niet. ‘Als liefhebbende zoon van zijn ouders’, schreef Lorenz in 1970 aan mij, ‘offerde hij een wetenschappelijk carrière op voor de firma van zijn vader.’ Volgens Lorenz een tragedie omdat zijn vriend – en mijn vader – op het terrein van de zoölogie naar zijn idee een genie was.”

In 1938 wordt uw vaders vriend Konrad Lorenz lid van de nazipartij en bemachtigt zo een leerstoel.

„Het was een grote tragedie voor mijn vader. Lorenz schreef in die tijd dat al zijn wetenschappelijk werk was toegewijd aan de ideeën van het nationaal-socialisme. In 1973 kreeg Lorenz de Nobelprijs voor geneeskunde en fysiologie voor het onderzoek naar het gedrag van sociale dieren, in het bijzonder de verklaring hoe jonge vogels gefixeerd raken op hun moeder. Beroemd is de foto waarop Lorenz wordt gevolgd door een groepje jonge ganzen, hij liet deze dieren denken dat hij zelf hun moeder was. Jonge ganzen volgen blindelings het eerste wezen dat ze zien als ze uit het ei komen – doorgaans hun moeder, maar ook een wetenschapper.”

Voorafgaand aan de prijsuitreiking heeft u de Nobelprijswinnaar geïnterviewd voor het Algemeen Dagblad.

„Lorenz zei toen dat hij zich schaamde dat hij zo naïef en stom was geweest om zich een tijdlang in te laten met de nazi’s.”

In de krant werd niet gesproken over de vriendschap tussen Konrad Lorenz en Bernhard Hellmann.

„En ook niet dat Lorenz in tranen spijt betuigde. Dat kon ik niet opschrijven, het werd te persoonlijk. Spijt voor iets wat nooit meer is goed te maken.”

Op een mooie zomermorgen in 1942 komt de jonge Paul Hellmann terug van een logeerpartij. Het huis is vol met mensen. Zijn vader neemt hem mee naar de tuin. ‘We moeten weg, er zit niks anders op’, zegt Bernhard tegen zijn zoon. ‘Het wordt hier te gevaarlijk, als we niets doen komen de Duitsers ons halen. We gaan alle drie naar een ander adres, maar over een tijdje kom ik je halen, dat beloof ik je.’

En als kind van zeven begreep u dat?

„Je kunt een kind niet uitleggen waarom het speciaal de Joden zijn die moeten onderduiken. Ik wist nog maar kort dat we Joods waren, en dat de Duitsers een hekel aan ons hadden. Ik zie nog het beeld van mijn moeder, die slecht kon naaien en met grove onhandige steken de ster op mijn jas naaide. Ik was Jood.”

Waar kwam u terecht?

„Na een aantal omzwervingen en een mislukte poging om met mijn vader het land uit te vluchten, kreeg ik onderdak in Ede en later in Harskamp bij het gezin van de oudste dochter van Anthony Kröller en Helene Kröller-Müller – de oprichters van het gelijknamige museum en het Nationale Park de Hoge Veluwe. Bij het afscheid op het tuinpad kreeg ik van mijn vader het advies: wees braaf en zorg dat je niet tot overlast bent. Van nu af aan is dit je familie. Pas je aan. En dat heb ik als zevenjarige met volle overgave gedaan.

„Korte tijd daarna werd mijn vader die ondergedoken was in Lunteren – na verraad – door de Duitsers opgepakt en afgevoerd naar Westerbork. Het beeld dat hij het tuinpad afliep en door het tuinhekje naar rechts ging, is het laatste wat ik van hem heb gezien. Hij verdween letterlijk uit mijn leven.”

En uw moeder?

„Mijn moeder zat ondergedoken op een woonboot op een van de rivieren. Eind 1947 werden we weer herenigd en samen trokken we in bij het gezin van Marten Toonder, zijn vrouw Phiny was een nicht van mijn moeder. Als ervaren opportunist begon ik aan een nieuw leven in een nieuwe omgeving. Ik genoot van het leven in het gezin van Marten Toonder, die inmiddels naam had gemaakt met zijn strip Tom Poes, waarin heer Bommel aanvankelijk een bijrol vervulde.

„Marten was een fervent lezer van de leesportefeuille. Via de Paris Match, Picture Post en Life zag ik de eerste foto’s van de concentratiekampen. Ik heb ze nog op mijn netvlies. Een berg uitgemergelde lichamen, schots en scheef over elkaar heen liggend. Sommigen naakt, andere nog half gehuld in de gestreepte kampkleding.

„Niet lang daarna volgde de eerste confrontatie in de bioscoop. De waarheid kent geen grenzen, een Poolse film over het Joodse getto in Warschau. Ik had de aanvechting om op te staan en weg te lopen, maar ik bleef zitten. Overstuur kwam ik thuis.”

Wat weekt zo’n film los?

„’s Nachts had ik een onrustige droom die leidde naar het huis op de Veluwe. In de gang met plavuizen waren de stemmen van mensen te horen in de woonkamer. ‘Zou hij weten dat zijn vader is opgepakt, wat denk je moeten we het hem vertellen?’”

De bioscoopzaal werd het beste toevluchtsoord voor moeilijke dagen. Dat bleek zo te zijn tijdens zijn studie – psychologie – maar ook tijdens zijn werkzame leven – De Telegraaf, Het Parool, Het Algemeen Dagblad en NRC Handelsblad. „Ik wilde nooit over de oorlog praten. Vooruit kijken, positief zijn. Ik heb wel eens wat gelezen, van Primo Levi, maar nooit helemaal uit. Ik wist: dan kan ik nooit meer slapen.” Een tante in Londen was psychoanalytica en vond dat Paul in therapie moest. Om haar te plezieren begint hij eraan om na één gesprek tot de conclusie te komen dat het niets voor hem was.

En dan word je ouder.

„Het cliché is waar: als je ouder wordt komt het verleden dichterbij. In het dagelijks leven begon de oorlog geleidelijk aan een grotere rol te spelen. Begin jaren negentig bezocht ik een driedaags congres in de Amsterdamse Rai met als thema ‘Het ondergedoken kind’. Ik voelde mij een buitenstaander. Anders dan de meeste aanwezigen was ik niet Joods opgevoed.”

Heeft u ooit de plaats bezocht waar uw vader is vermoord?

„In het voorjaar van 2005 zijn mijn vrouw en ik naar Auschwitz en Birkenau gereisd. Het was de zaterdag voor Pinksteren en zestig jaar na de bevrijding. Het leek wel een attractiepark. Ik ergerde me aan het gebrek aan respect waarmee mensen zich lieten fotograferen. Het bord met het opschrift Arbeit macht frei was de meeste geliefde photo opportunity. Wij liepen rond in Birkenau waar mijn grootmoeder is vermoord. Het is te schokkend om te vertellen, dat heeft geen enkele zin.”

En Sobibor?

„Om bij Sobibor te komen, moesten we een auto huren. Een inwoner van het dorp bracht ons naar het kamp in het bos. Er is weinig meer van het kamp te zien, na de opstand op 14 oktober 1943 hebben de Duitsers het kamp ontmanteld. Van Lager 3, het gedeelte waar de massamoorden plaatsvonden, werden alle sporen uitgewist. „Op het terrein waren we de enige aanwezigen. De stilte was intens, het contrast met Auschwitz overweldigend. We hadden een seringentak meegenomen en een kluit met bosviooltjes. Ik had er een briefje aangehecht met een paar woorden. Die hebben we daar neergelegd. Pas na een tijdje merkten we dat we niet alleen waren. Een hert met een fors gewei had ons opgemerkt. Het beest keek onze kant op, zag dat we geen kwaad in de zin hadden, en ging door met grazen. Er klonk een koekoek. Het was een bijna te perfecte pastorale scène. Ik voelde mij die minuten dichter bij mijn vader dan ooit.”

En nu bent u binnenkort Ankläger in het proces van degene die verantwoordelijk is voor de dood van uw vader.

„Via de stichting Sobibor raakte ik er bij betrokken. Mijn vrouw en ik maakten eenmaal een groepsreis mee naar Sobibor. We hebben namelijk een steen laten plaatsen met de naam van mijn vader erop. Die steen ligt aan een gedenklaan, de SS’ers noemden die laan de Himmelfahrt-strasse, daar werden de mensen naakt doorheen gejaagd op weg naar de gaskamers. Met die steen heeft mijn vader een plaats gekregen – een plek waar je naar toe kunt gaan. Naderhand vroegen mensen van de stichting Sobibor mij en anderen of we Nebenkläger wilden worden in het proces tegen Iwan Demjanjuk. Tweeëntwintig Nederlanders zullen nu als zodanig optreden. Wij worden begeleid door een aantal Nederlandse wetenschappers, onder wie emeritus professor Abram de Swaan en professor Johannes Houwink ten Cate van het Centrum voor Holocaust en Genocide Studies.”

Waarom doet u dit?

„Om de waarheidsvinding en rechtvaardigheid. Demjanjuk is een oude man en de sympathie van het publiek zal misschien uitgaan naar hem. Maar hij was een van de raderen van die moordmachine. Als die het niet deden, zou de machine tot stilstand zijn gekomen.

„We hebben met de Duitse juristen gesproken en ik ben onder de indruk geraakt. Ze zijn zeer gemotiveerd voor deze zaak. Ik heb lang geaarzeld. Zodra de oorlog aan de orde kwam, hield ik mij op de vlakte alsof het iets betrof dat mij niet persoonlijk aanging. Maar nu kan ik me niet verschuilen, ik ben het aan mijn vader verplicht.”

U bent Nebenkläger en deze week verscheen uw autobiografie ‘Mijn grote verwachtingen’. Verwacht u dat het verleden door deze twee gebeurtenissen een andere plaats gaat krijgen in uw leven?

„Het verleden ging de laatste jaren al een veel grotere rol spelen in mijn leven. Dat zal ook wel komen doordat ik kleinkinderen heb. Verleden, heden en toekomst komen bij elkaar. Daarom heb ik ook dat boek geschreven. Een autobiografie waarin mijn vader de rode draad is, maar ik vind het nog altijd moeilijk om zijn naam te noemen.”

‘Mijn grote verwachtingen, herinneringen’ door Paul Hellmann. Uitgeverij Augustus.